Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AANGLIJDEN Volgend artikel: AANGLINSTEREN

AANGLIMMEN

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,st.)

Modern lemma: aanglimmen

onz. en bedr. st. ww. der 1ste kl., met zijn en hebben: glom aan, is en heeft aangeglommen. Uit Glimmen en het bijw. Aan in verschillende opvattingen. Hd. anglimmen.
I.  Onz. Aan in den zin van aanvang of begin en tevens van voortgang (34, i en j). Hulpw. zijn. Beginnen te glimmen (of sterker te glimmen), van glimmen tot branden overgaan (van brandbare stoffen gezegd).
De kolen glommen langzaam aan. Goed aangeglommen houtskool.   poëem WNT
II.  Bedr. Aan in den zin van richting naar het doel (34, h). Hulpw. hebben. In de richting naar iemand of iets glimmen of blaken, toe- of tegenglimmen en daardoor verwarmen.
Het is mij te heet bij dien oven, waar die gloeiende kolen u zoo aanglimmen.   poëem WNT

Supplement bij AANGLIMMEN

I. 
't Ongeluk (de brand) was veroorzaakt, door 't aanglimmen van doove koolen,   WAGEN., Amst. 1, 694 b [1760].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1864.