Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AANGLINSTEREN Volgend artikel: AANGLUIPEN

AANGLOEIEN

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,zw.)

Modern lemma: aangloeien

onz. en bedr. zw. ww., met zijn en hebben: gloeide aan, is en heeft aangegloeid. Uit Gloeien en het bijw. Aan in verschillende opvattingen. Hd. anglühen.
+I.  Onz.Aan in den zin van aanvang of begin en tevens van voortgang (34, i en j). Hulpw. zijn. Beginnen te gloeien (of sterker te gloeien), van gloeien tot branden overgaan.
De kool is niet uit; zet ze op den tocht, dan zal zij wel weder aangloeien. Het vuur was weder aangegloeid.  
Heur vlammen laten vonken na; Die vonken gloeien aan; En schichtig ziet men dezen gloed Tot vlammen overgaan,   BILD. 1, 128 [1795].
+II.  Bedr. Hulpw. hebben. 1) Aan in den zin van voortgang of toeneming (34, j). Sterker doen gloeien, meer gloeiend maken.
Gij moet dat ijzer nog wat aangloeien.   poëem WNT

Supplement bij AANGLOEIEN

I. 
Wyders gloeyde, dit pas, 't vuur, tussen die van Gent en de Waalen, vast aan, en braght van dagh tot dagh, terghender daadtlykheeden … voort,   HOOFT, N.H. 604 [1642].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1864.