Koppelingen:
Vorig artikel: AANHANKELIJKHEID Volgend artikel: AANHAREN

AANHARDEN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: aanharden

bedr. en onz. zw. ww., met hebben en zijn: hardde aan, heeft en is aangehard. Uit Harden en het bijw. Aan in den zin van toeneming (34, j).
I.  Bedr. Hulpw. hebben. Harder maken. Eigenlijk van stoffen, die van een weekeren toestand tot een harderen kunnen overgaan. In dezen eigenlijken zin is het woord echter niet gebruikelijk: men bezigt daarvoor Harden of Verharden, en te recht, want het hard maken van stoffen (b.v. ijzer enz.) geschiedt veelal op eenmaal door eene enkele bewerking, hetgeen door deze beide woorden het best wordt uitgedrukt, terwijl Aanharden, dat meer een allengs hard maken te kennen geeft, hier minder gepast zou zijn. Juist daarom wordt het meest overdrachtelijk gezegd van levende wezens, menschen en dieren, voor Meer gehard maken, meer geschikt maken tot het doorstaan van vermoeienissen of van den invloed eener ruwe luchtstreek.
Die voetreis zal hem wel wat aanharden en meer geschikt maken tot het verduren der ongemakken van een veldtocht. Zijne gymnastische oefeningen hebben hem vrij wat aangehard.   poëem WNT
+II.  Onz. Hulpw. zijn.
Afl. Aanharding.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1865.