Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AANHOOGTE Volgend artikel: AANHOORDER

AANHOOPEN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: aanhopen

bedr. en onz. zw. ww., met hebben en zijn: hoopte aan, heeft en is aangehoopt. Uit Hoopen en het bijw. Aan in verschillende opvattingen. Hd. anhäufen.
I.  Bedr. Aan in den zin van aanvulling van het ontbrekende (34, f). Hulpw. hebben. Een hoop hooger of grooter maken, tot de vereischte hoogte brengen. Aarde aanhoopen, hetzelfde als Aanaarden (zie ald.).
De aarde om de planten aanhoopen,   WEIL. .
II.  Onz. Aan in den zin van toeneming (34, j). Hulpw. zijn. Van eenen hoop of, bij uitbreiding, van eene hoeveelheid of menigte. Tot een grooteren hoop worden, zich uitbreiden, aangroeien, toenemen. Thans weinig meer in gebruik.
De nieuwsgierigen hoopten langzamerhand aan, werden een geheele hoop.   poëem WNT
Den hoop hoopt aan. Den ouderdom Vermenght sich onder al den drom.   SIX V. CHAND. 63 [1657].
Afl. Aanhooping.

Supplement bij AANHOOPEN


De verwinners … schuffelden, op de veste een deel aarde by een, in forme van een gevult en aangehoopt doodtgraf,   HOOFT, N.H. 312 [1642].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1865.