Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AANIJLEN Volgend artikel: AANJAGER
GTB Woordenboeken: MNW

AANJAGEN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,st.,zw.)

Modern lemma: aanjagen

bedr. en onz. ww., met hebben en zijn; oorspronkelijk alleen zwak: jaagde aan, heeft en is aangejaagd; thans in den onvolm. verl. tijd ook sterk vervoegd, als ww. der 4de kl.: joeg aan. Uit Jagen en het bijw. Aan in verschillende opvattingen. Hd. anjagen.
+I.  Bedrijvend, met hebben.
+II.  Onzijdig, met zijn en hebben.
Afl. Aanjager.

Supplement bij AANJAGEN

I.  Bedr. — 1, a bis) Iemand iets aanjagen, het hem opdringen. Eenmaal aangetroffen.
Bemercken, (dat hij) de Saldaniers veel meer coper (als selffs wel soude begeren) voor haer vee soeckt aen te jagen …, dat ons grootelijckx beleth int handelen maeckt,   V. RIEBEECK, Dagverh. 1, 128 [1652].
b. 
Zoo wast (zoot schijnt) ghedaen om ooc tvolc een vreese an te jaghen,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1, 127 [1566].
Het welcke het ghemeen Volck een groote droeffenis aenjaechden,   V. LINSCHOTEN, Itiner. 136 b [1596].
2,.  a) Ook met een voortgang als voorwerp: bespoedigen.
Op gespitten grond, met snel aangejaagden wasdom in de jeugd, zal men den mast eerder ontvankelijk vinden voor de infectie van Agaricus melleus,   V. SCHERMBEEK, Bosch 161 [1898].
2,.  c)
Een eerbaer kint is aen te jagen Door eersucht, niet door harde slagen,   CATS 1, 550 b [1632].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1865.