Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AANKRIJTEN Volgend artikel: AANKRUIPEN
Etymologie: EWA

AANKRUIEN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,st.,zw.)

Modern lemma: aankruien

bedr. en onz. ww., met hebben en zijn; eigenlijk sterk van de 6de kl.: krooi aan, krooien aan, heeft en is aangekrooien; doch veelal zwak gebezigd: kruide aan, heeft en is aangekruid. Uit Kruien en het bijw. Aan, beide in verschillende opvattingen.
+I.  Bedr. Kruien in de beteekenis van met den kruiwagen vervoeren. Hulpw. hebben.
II.  Onz. Kruien in de beteekenis van door den stroom voortgestuwd worden en op elkander schuiven, van ijsschotsen gezegd; Aan in den zin van nadering (34, g). Hulpw. zijn. Kruiend naderen, komen aandrijven in opeenschuivende schotsen.
Het ijs kruit dreigend aan. Het schip raakte tusschen den wal en de aankruiende ijsschotsen beklemd.   poëem WNT
Afl. Aankruiing.

Supplement bij AANKRUIEN

Zie ook Dl. VIII, 401, en nog de volgende plaats.

Granaden worpen, met het schut balderen, stormstukken aankrujen enz.,   OUDAAN, Agrippa 330 [1661].
Afl. Aankruier, in de aanh. zooveel als handlanger.
De dwingelanden, en hare aankruiers,   OUDAAN, Agrippa 360 [1661].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1865.