Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AANLAVEN Volgend artikel: AANLEG

AANLEEREN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: aanleren

bedr. en onz. zw. ww., met hebben en zijn: leerde aan, heeft en is aangeleerd. Uit Leeren (kennis verkrijgen) en het bijw. Aan in verschillende opvattingen. Het hd. anlehren heeft niet de beteekenis van discere, maar van docere; anlernen is verschillend gevormd.
+I.  Bedrijvend, met hebben.
+II.  Onzijdig, met zijn.
Afl. Aanleering (doch meer gebruikelijk is het aanleeren).

Supplement bij AANLEEREN

I,.  1)
Het aanleeren der taalen,   N.-I. Plakaatb. 3, 24 [1679].
2. 
S. gist, dat de duivelen, gewezen aardbewoners zijn geweest, onsterfelijk geschapen: welke dus eens afgevallen, steeds moesten aanleeren en aangroeijen in boosheid,   BILD.-TYD., Briefw. 2, 34 [1814].
3.  (In Dl. I: ”XVIIIde E. ”)
Want recht als een Schoolmeester doet bequame Den A B C, sijn Scholiers eerst aenleert Also begint, de Christen leer bekeert,   V. MANDER, Olijfb. 49 [±1605].
Wij kunnen … òf hem (den beginneling in het roeien) een groote mate van vrijheid geven en zelf slechts corrigeerend optreden — òf moeten de beweging in onderdeelen aanleeren,   Handb. d. Sp. 4, 63 [1924].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1865.