Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AANLENEN Volgend artikel: AANLEUNEN
Etymologie: EWN

AANLENGEN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: aanlengen

bedr. en onz. zw. ww., met hebben en zijn: lengde aan, heeft en is aangelengd. Uit Lengen en het bijw. Aan in den zin van voortgang of toeneming (34, j).
I.  Bedr. Hulpw. hebben. Eigenlijk: Langer maken; doch alleen overdrachtelijk in gebruik van eene vloeistof. Hare hoeveelheid door inmenging van een ander minder krachtig vocht vermeerderen, maar haar zelve daardoor dunner en slapper maken. Verg. de uitdrukking lang nat, voor slap en krachteloos vocht.
Die bouillon moet wat aangelengd worden, zij is voor den zieke te krachtig. Toen er onverwachte gasten kwamen, lengde men de soep aan. Men heeft die saus te veel aangelengd.   poëem WNT
II.  Onz. Hulpw. zijn. Voortgaan met langer te worden, toenemen in lengte; van de dagen gesproken.
De dagen lengen zichtbaar aan. Zij zijn sedert eene maand al vrij wat aangelengd.   poëem WNT

Supplement bij AANLENGEN

— I) Bedr.
1.  Vroeger ook: langer maken, verlengen, in eigenlijken zin.
Waernaer de galerie weder gemaeckt ende voorts aengelengt werde in vougen dat men desen dach wel 25 voeten in de gracht quam,   DUYCK, Journ. 1, 123 [1592].
2.  Van vloeistoffen.
Dat die wijn nog ruim straf genoeg was en gerust nog twee keeren kon aangelengd worden,   WALSCHAP in Twintig Verh. 248 [1930].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1865.