Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AANLIJNEN Volgend artikel: AANLOEREN

AANLOEIEN

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,zw.)

Modern lemma: aanloeien

onz. en bedr. zw. ww., met zijn en hebben: loeide aan, is en heeft aangeloeid. Uit Loeien en het bijw. Aan in verschillende opvattingen.
I.  Onz. Aan in den zin van nadering (34, g). Hulpw. zijn. Loeiend naderen.
Daar loeide op nieuw een rukvlaag aan,   TOLLENS 4, 126 [1820].
II.  Bedr. Aan in den zin van richting naar het doel (34, h). Hulpw. hebben. Loeien in de richting naar iemand toe, hem loeiend treffen of bedreigen.
Een windvlaag rukt hem neêr (den eik) … Zij loeit hem aan — hij kraakt, scheurt, tuimelt op den grond.   FEITH, Oden en Ged. 4, 187 .
Hoe! waant gij dat de storm u minder aan zal loeien?   FEITH, Graf 18 .
Ik sidder — Uit de ontvlamde wolken Loeit my de gramme donder aen.   V. DUYSE, Vad. Poëzy 1, 140 .

Supplement bij AANLOEIEN

I.  Onz.
De noord, en westenwind, die loeide, Om stryd, als op den andren aan,   V. FOCQUENBROCH 1, 71 [± 1670].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1865.