Koppelingen:
Vorig artikel: AANMANING Volgend artikel: AANMAREN

AANMARCHEEREN

Woordsoort: ww.(intr.,zw.)

Modern lemma: aanmarcheren

(uitspr., naar Fransche wijze: -marsjeeren), onz. zw. ww., met hebben en zijn: marcheerde aan, heeft en is aangemarcheerd. Uit Marcheeren, het fr. marcher, en het bijw. Aan in verschillende opvattingen. Hd. anmarschieren.
1.  Aan in den zin van richting naar het doel (34, h). In eene zekere richting of naar een bepaald doel marcheeren. Met het hulpw. hebben, wanneer de marsch als handeling, met zijn, wanneer die als plaatsverandering wordt gedacht.
Om in de juiste richting te blijven, moet de guide een punt in het oog nemen, waarop hij moet aanmarcheeren. De jeugdige soldaten hebben met den moed van oudgedienden op den vijand aangemarcheerd. Hoever zijn de troepen al aangemarcheerd?   poëem WNT
2.  Aan in den zin van voortgang (34, j). Hulpw. hebben. Voortgang maken met den marsch, snel marcheeren.
In weerwil van de slechte wegen hebben de troepen goed aangemarcheerd.   poëem WNT
3.  Aan in den zin van aanvang of begin (34, i). Hulpw. hebben, doch in deze bet. zijn de samengestelde tijden nagenoeg niet in gebruik. Beginnen te marcheeren, den marsch aanvangen.
Op het commando: Marsch! zal het gelid vaardig met den linkervoet aanmarcheeren.   poëem WNT
Afl. De afl. aanmarcheering is minder gebruikelijk; men zegt daarvoor doorgaans Aanmarsch (zie ald.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1865.