Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AANNEMELING Volgend artikel: AANNEMER
GTB Woordenboeken: MNW

AANNEMEN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,st.)

Modern lemma: aannemen

bedr. en onz. st. ww. der 2de kl., met hebben en zijn: nam aan, namen aan, heeft en is aangenomen. Uit Nemen en het bijw. Aan in den zin van richting naar zich toe (34, d). Hd. annehmen.
+I.  Bedrijvend, met hebben.
+II.  Onzijdig, met zijn. Aan in den zin van voortgang of toeneming (34, j).
Afl. Aannemelijk, aannemer (aanneemster), aanneming. Bij HOOFT ook aanneemst in den zin van aanneming (Henr. d. Gr. 105).

Supplement bij AANNEMEN

I.  Bedr.
I,.  2) Schrap: met een onstoffelijk object.
a.  Lees: Iets overnemen dat niet overhandigd wordt, t. w.
α.  Iets dat zich vasthecht of als af- of indruk achterblijft.
De zant-grond neemt de voetstap aan, En toond … Een spoor daar iemant heeft gegaan,   LUYKEN, Besch. d. Wer. 79 [1708].
—  In W.-Vlaand. van weefsels en kleeren, in den zin van: vatbaar zijn voor aanhechting van vuil, aanhangen (DE BO [1873]).
β.  Een boodschap, een bestelling. Hierbij de laatste 3 alinea's van 1 uit Dl. I. Bij den roep Aannemen! wordt niet gedacht aan het aanvatten van afgegeven voorwerpen, maar aan het ontvangen van een bestelling en bij uitbreiding van de betaling.
”Aannemen!” ”Wat ga je doen?” ”Dat zul je zien. — Kellner, het adresboek”,   FALKLAND 1, 218 [1894].
—  Een boodschap aannemen heeft doorgaans betrekking op een mondelinge boodschap.
”Is meneer thuis?” ”Nee, kan ik de boodschap ook aannemen?”   poëem WNT
γ.  Een eigenschap, een neiging, een gewoonte. Hierbij de voorbeelden onder a) uit Dl. I.
b. 
Aen-nemende. Discens: & Docilis,   KIL. [1599].
— Zy de wijsheydt Gods zeer lichtelijck aen namen Die in de schoolen van gheleertheydt noyt en quamen,   RODENBURGH, Gheb. Christi 28 [1639].
Seyden oock, dat haer dochters in een goedt school waeren ende wel aennemen souden,   C. HUYGENS Jr., Journ. 2, 10 [1692].
Als ons Fransken nu eens goed van aannemen was, en hij werd zoo eens schilder?   CONSC. 1, 48 b [ed. 1867].
—  Thans in N.-Ndl. bijna alleen in de verbinding goed van aannemen en dan zelden ten opzichte van theoretische kennis, meestal van goeden raad of hetgeen wordt voorgedaan.
—  Goed van aannemen, vroeger ook in den zin van: goedgeloovig.
Zy … sal met valsheydt hem wel weeten t'onderrechten. Hy is goedt aenneems, licht zal laster op hem hechten,   MOSTART, Mariamne 5 [1640].
+3. 
Van den anderen 1200 merghen zijn 400 mergen die nyemant annemen en zoude om 400 Rh. gl. toe te hebben,   Inform. v. 1514, 293.
Een porter van Mechelen … in andere stede … tot houwelijck comende ende aldaer vrijheyt oft ambachte aennemende, en verliest zijn porterie oft ambacht niet,   Cost. v. Mechelen 42 [1535].
In d'History des Doopsels sietmen aen t'wesen Christi, met wat geloof en ootmoedt men sulck een Sacrament behoort aen te nemen,   V. MANDER, Lev. d. Schild. 39 c [1604].
+II.  Onz.
Nu zie ik, dat hij van dag tot dag weêr aanneemt; want er zit tienmaal meer voedsel in dat oude goed, dan in het nieuwe,   FOKKE, Verz. W. 12, 50 [1792].
Afl. Aanneembaar, nog binnen de grenzen van het mogelijke of geloofwaardige, meestal in ontkennend verband (”Dat zijn karakterbeschouwing van Tiberius in geen enkel opzigt aanneembaar is”, in Gids 1866, 3, 340)
aannemerij, werkzaamheid als aannemer van werken (”Kapitalisten geworden in den handel of in de aannemerij”, BUSKEN HUET in D. War. 7, 475 [1865]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1865.