Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AGAVE Volgend artikel: AGEEREN
Etymologie: EWN

-AGE

Woordsoort: woorddl.

Modern lemma: -age

achtervoegsel van vreemden oorsprong, waarmede eenige znw. gevormd zijn, alle met den klemtoon op het achterv., en met het mv. — voor zooverre zij dat bezitten — op s, als: lekkages, stellages, strijkages enz.
Etym. Het achterv. -age is ontleend aan het Fransch, in welke taal de woorden met dat suffix bijzonder talrijk zijn: bagage, carnage, courage, mariage, ménage, partage enz. Op zijne beurt was fr. -age ontleend aan den Latijnschen uitgang -aticum. Nevens talrijke bnw. op -aticus (als aquaticus, fanaticus, silvaticus, umbraticus enz.) kende het Latijn ook enkele onz. znw. op -aticum, als viaticum en pontaticum. In de latere Latijnsche volksspraak, vooral in de 5de eeuw, kwam de uitgang meer algemeen in gebruik, die sedert in het Middeleeuwsch Latijn zeer gewoon was (carnaticum, herbaticum, missaticum, portaticum, rivaticum, vassallaticum enz.). Door wegvalling der toonloze i werd dit -aticum tot -at'cum, waaruit vervolgens, door den gewonen overgang van c in g, in het Romaansch -atge ontstond, dat eindelijk door uitslijting der t in het Fransch tot -age verliep, terwijl in het Provençaalsch de spelling en uitspraak -atge behouden bleef (carnatge, messatge, ramatge enz.). Ook in 't Italiaansch, waar de uitgang -aggio luidt, dat als -adzjo wordt uitgesproken, is de herinnering aan de weggevallen tandletter bewaard (carnaggio, coraggio, viaggio enz.). Het Fransche -age, eenmaal op die wijze ontstaan in de woorden van Latijnschen oorsprong op -aticum, werd vervolgens ook aan andere woorden toegevoegd en is zoo een der meest gebruikelijke Fransche suffixen geworden. Verg. DIEZ, Gramm. 2, 288 vlg., BRACHET, Dict. Etym. 29 vlg., enz.
Een zoo gewone Fransche uitgang moest ook op onze taal van invloed zijn. Eerst door het overnemen van talrijke Fransche woorden in de spreektaal, als courage, equipage, menage, passage enz., en vervolgens door het hechten van dat zelfde suffix aan oorspronkelijk Nederlandsche woorden, als in kijvage, tuigage, vrijage, drong -age in onze taal door en nam het eene plaats in onder de Nederlandsche achtervoegsels..
Spell. De Fransche woorden op -age werden reeds overgenomen in den tijd, toen daarin nog de tandletter gehoord werd, en de uitspraak dus -aadzje luidde. Die klank kon niet dan gebrekkig in Nederlandsch schrift worden uitgedrukt. Men dobberde oudtijds tusschen verschillende schrijfwijzen: pelgrimaedse, pelgrimagie, pelgrimaedje. Het laatste, -aadje, is allengs meest algemeen geworden, in de spelling van 1804 aangenomen en tot voor weinige jaren in gebruik gebleven. Doch die spelling is thans, nu de t of d, noch bij ons noch bij de Franschen, in 't geheel niet meer gehoord wordt, buiten alle verhouding met de uitspraak geraakt, en maar al te dikwijls gaf zij aanleiding, dat de woorden op -aadje letterlijk overeenkomstig hun vorm werden gelezen. Daar nu de uitspraak van ge op Fransche wijze, met den zachten palatalen sisklank (zie G, § 17), toch plaats vindt in een aantal woorden, die geheel Nederlandsch zijn geworden, als gage, gelei, genie, horloge, logement, en dus bij ons niet onbekend is, en iedereen ook gewoon is college, manege, engagement, ja zelfs courage, courtage, menage te schrijven, bestaat er inderdaad geene reden om die spelling niet ruimer toe te passen en het achtervoegsel overal consequent -age te schrijven, gelijk dan ook in de laatste jaren algemeen in gebruik is gekomen. Verg. Grondbeg. der Nederl. Spell., § 243.
Gebruik. Het achterv. -age komt voor
1. In Fransche woorden, die in onze spreektaal zoogoed als het burgerrecht hebben verkregen: bagage, equipage, passage, personage, plantage, potage enz. Soms wel, in de onbeschaafde volksspraak, in verbasterden vorm, als b.v. parmentage voor fr. parentage.
2. In een paar woorden, uit het Fransch overgenomen, doch gedeeltelijk naar ons taaleigen vervormd, door het hoofdwoord van den uitheemschen vorm in den inheemschen over te brengen, t.w. pelgrimage en pluimage, gevormd naar pèlerinage en plumage, doch met vervanging van de Fransche woorden pèlerin en plume door de Nederlandsche vormen pelgrim en pluim.
3. In woorden van Nederlandsche stamwoorden afgeleid, t. w.:
a.  Van een znw., als: bosschage, dijkage, pakkage, tuigage, zeilage, die de beteekenis hebben van collectieven; lastage, dat als benaming van eene plaats, en stoffage, dat als stofnaam geldt. Het gemeenzame dierage staat in beteekenis met dier gelijk, ofschoon in figuurlijke toepassing.
b.  Van den stam van een ww., als: boelage, foppage (en het daarmede synonieme platte kullage), kijvage, kwellage, lekkage, sierage, slijtage, timmerage, vrijage, alle met collectieve beteekenis, ter aanduiding van de handeling of werking met alles wat er bij behoort. Eene afzonderlijke handeling of werking wordt aangeduid door strijkage en het gemeenzame bibberage, dat in scherts voor eene bibbering of huivering gezegd wordt.
Alleen stellage heeft eene afwijkende beteekenis; het dient, als voorwerpsnaam, ter aanduiding van datgene dat door de handeling tot stand is gekomen.
—  Nieuwe woorden op -age worden thans niet meer gevormd, dan alleen somtijds spottenderwijze in de gemeenzame spreektaal: bibberage, dierage en timmerage zijn zeker niet van oude dagteekening.
Nalezing 1882 corrigeert en vult aan: timmerage is werkelijk van oude dagteekening. Het komt niet alleen voor bij HOOFT, Ged. 1, 32 [c. 1603], maar ook reeds in 't Mnl. (KAUSLER, Denkm. III, 9, vs. 187).
Nalezing 1882: Andere voorbeelden van woorden met het achterv. -age zijn: ankerage, bouwage, duivelerage (Leev. 1, 207), huisage (SCHUERM. i.v. [1865-1870]), kleedage (GOEVERNEUR, G. en R. 153), kleerage (SCHUERM. i.v. [1865-1870] en DE BO i.v. [1873]), krauwage (DODONAEUS 129 b, 1466 a), murage (BILD. 9, 392), schenkage, schoeverage (SCHUERM. [1865-1870] op Schoeveren), stampage, stoppage, stuwage, takelage, zwerage (DODONAEUS 129 a).
Geslacht. Ofschoon de woorden op -age in het Fransch manlijk zijn, worden zij in onze taal vrouwelijk gebruikt, naar analogie van de groote meerderheid der woorden op e. Dierage echter is onz., omdat men daarbij aan dier denkt. Zoo ook thans bosschage, om de bijgedachte aan bosch, boschje; doch voorheen werd dit ook vr. gebezigd. Het vreemde personage wordt vr. en onz. beide genomen: het laatste meest in schertsende toepassing, in welken zin men ook het mensch zegt.

Supplement bij -AGE

Zie ook de Nalezing, kol. 2090.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1877.