Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: AKEN Volgend artikel: AKER II
Etymologie: EWN, EWA
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

AKERI

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: aker

znw. m., mv. akers; verkl. akertje, mv. -tjes. Onrd. akarn (CLEASBY 10); deensch agern; ags. æcern en accorn (BOSW. 5 en 3); eng. acorn; hd. ackeran, eckern, ecker (GRIMM, D. Wtb. 1, 173; 3, 24). Uit de beide vormen accorn en acorn kan het licht schijnen, alsof het woord uit âc (eik) en corn (vrucht) ware samengesteld, en sommigen hebben het dan ook op die wijze verklaard. Doch die overeenkomst is bloot toevallig. De grond des woords is goth. akran, dat in 't algemeen vrucht beteekende; het gebruik heeft later die beteekenis beperkt en het woord alleen op de vrucht van den eik toegepast. De ags. spelling accorn (nevens het echte æcern) ontsproot alleen uit de volksetymologie, die er eene verbinding van âc en corn in meende te zien. Zie GRIMM, D. Wtb. 1, 173 en DIEFENBACH, Vergl. Wtb. 1, 31. Aker heeft derhalve, wat zijn oorsprong betreft, niets te maken met eik en eikel, noch zelfs met aak, den naam van eene soort van eschdoorn, welk aak een verschillende dialectvorm van eik is (zie AAK (II)).
Nevens aker was voorheen ook akel in gebruik. Men leest het bij V. BEVERW., Uutnem. 2, 99:
Weet hier wat Ceres deed'. Haer hebjet danck te weten, Dat wy geen akels meer of wilde wortels eten .   poëem WNT
Doch straks (bl. 102) spreekt hij van eeckelen. Blijkbaar was akel een onzuivere dialectische vorm, ontstaan uit de verwarring en samensmelting der beide verschillende, maar schijnbaar bijeenbehoorende woorden aker en eeckel, eikel.
+1.  Eigenlijk. De vrucht van den eikeboom, de eikel. Thans in de schrijftaal weinig meer in gebruik, maar in de volksspraak bij onze landlieden nog algemeen bekend.
De menschen in de gulden eeuwe … aten … aeckers ofte boecken (beukenoten), sulcks als het veldt rijckelijck gaf,   VISSCHER, Sinnep. 72 a [c. 1600].
Heeft iemant dorst? overal zijn bronnen. Heeft iemant honger? overal zijn akers,   DE BRUNE, Wetst. 2, 344 [c. 1648].
Eenen afgekookten drank van twee tot drie lood gebrande en gemalen akers,   BERKHEY, N.H. 8, 265 [1810].
En akers zonder geur, kornoelje en eikelnoten, Den vuilen zwijnendraf, werpt Circe voor hen neêr.   V. 'S GRAVENWEERT, Od. 2, 45 [1824].  (Od. X, 242: κυλον βλανν τ').
+2.  Figuurlijk. Een voorwerp dat den vorm van een eikel heeft. In bepaalde toepassingen, t. w.:
Afl. Akerăchtig.
Samenst. afl. Akervormig.
Samenst. In de bet. 1). Akerboom (zie ald.)
akerspek (zie ald.)
akervarken (zie ald.). Dichterlijk: akertros, een tros van eikels (”Nu zaai uw akertrossen, O Eik! en weef uw loofgordijn”, TEN KATE, Schepp. 97 ). — In de bet. 2). Akerkloot (zie ald.).
— Als tweede lid: Aardaker (zie ald.).

Supplement bij AKERI

Mnl. aker. De alg. grondbeteekenis ”vrucht” is nog bewaard in zwitsersche dialecten; vooral in samenst. komt het daar voor in den zin van appel (Schweiz. Idiot.); zie verder de etym. wdb. Als ndl. dialectvorm is het vrijwel beperkt tot Noord- en Zuid-Holland: zie Taalatlas 2, 7; ook KIL. [1588] vermeldt het als ”Holl.” Daarnaast komen aardaker en akerneut voor. Van den vorm akel zie men nog voorb. VALENTIJN, Ovid. 1, 155 [1678] en VALENTIJN, Juven. 218 [1682].
+1. 
Dat niemant … voortaen inde voorsz. onsen Bossche eenighe Akeren, Hasenoten …, Boucken, ofte andere gewas en plucken oft halen,   bij MERULA, Wildern. 1, 138 [1529].
Een vrucht van een boom, van de groote van een Aker,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 63 d [1598].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1881.