Koppelingen:
Supplement
Vorig artikel: APPEL II Volgend artikel: APPELACHTIG

APPELAAR

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: appelaar

znw. m., mv. appelaars en appelaren. Bij KIL. [1588] appeler. Van Appel (I, 1 en 2) met het achterv. -aar (5, b, α).
De boom die appelen voortbrengt, de appelboom. In Vlaamsch België in gewoon gebruik, ook in de spreektaal; in Noord-Nederland alleen in dichterlijken stijl.
Er stond in eenen … hoek van onzen boomgaard een lage appelaar, dien ik bijzonder liefhad om … zijne voortreffelijke vruchten,   CONSC. 5, 303 b [ed. 1869].
Zoo ras oock d' appelaer, terwijl hy wast en stijght, Nu kracht gevoelt, en maght in zijne tacken krijght, Dan groeit hy, zonder last, van zellef op naer boven,   VONDEL 8, 226 [1660] (verg. VONDEL 5, 101 [1646]).
Al draagt de wilde boom ook bladen, Den schoonen Appelaar gelyk, Hy kan den honger niet verzaaden.   LUYKEN, Bykorf, 215 .
Een roode Appelaar, die sierlyk stond te pryken, Verlokte myne lust.   LUYKEN, Overvl. Herte, 243 .
de kruinen Der appelaeren heeft de groene rups verteert.   MOONEN, Poëzy, 136 .
Uw arm beschaamt den glans van Fingals hofpilaren, Uw boezem 't zwellende ooft der edelste appelaren,   BILD. 2, 199 [1805].
de oude appelaars, grillig en knoestig, Onder hun blozende vracht tot laag bij de aarde zich buigend.   V. BEERS 2, 94 [1858].
Lest werd ik onder 't vriendlijk dak Eens milden waards ontvangen. Zijn uithangbord, dat was een tak, Met gulden ooft behangen. Die goede waard was de appelaar, enz.   DE CORT, Lied. 197 [1868].
Samenst. Haagappelaar, haagdoorn (”Men ent de noot op den ruigen haeghappelaer,” VONDEL 5, 92 [1646]). Verg. HAAGAPPEL.

Supplement bij APPELAAR

—  Afl. Appelaren, van appelboomhout.
  V. KEIRSBILCK, Timm. [1898].
  TEIRL. 3, 341 a [1921].
Samenst. Appelarenhout (t.a.p.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1891.