Koppelingen:
Vorig artikel: BEDDEZAK Volgend artikel: BEDE
Etymologie: EWA
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

BEDDING

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: bedding

znw. vr., mv. beddingen. Van Bedden met -ing, en dus eigenlijk de naam eener handeling, doch reeds in het Mnl. overdrachtelijk in de concrete opvatting van bed (verg. VERDAM 1, 616). Hd. bettung, in meer beperkt gebruik, wellicht ten deele in navolging van het Nederlandsch.
1.  De plaats waarop iemand ”gebed” wordt, legerstede, bed. Thans verouderd, behalve gewestelijk, b.v. in Zuid-Nederland, waar bedding evenals beddelijk gebruikt wordt voor alles wat te zamen tot een bed behoort.
Eene beddinge koopen   [1895].
De beddingen van eenen dormter,   DE BO 83 [1873].
— Wy sijn vermoeyt, dus doet … ons bedding bereyen, So mogen wy ons rusten ende soetelijc slapen,   COORNHERT, Odyss. 1, 23 a.
Schoon cleedren, badtstouen, sachte beddinge ons lusten boeten,   1, 49 b.
Guise, ende anderen van de jonge vorsten, … hem smadelijk gehandelt hebbende, scheuren zijn' tapisserijen, beddinge ende behangselen aan sleteren,   HOOFT, Henr. de Gr. 27 [1626].
Ik zwijg van de hardheid der bedding (in eene scheepskooi) en van het steenen oorkussen,   NOLET DE BR., Proza 1, 67.
2.  Ook als naam voor het stroo waarop een dier ligt in den stal; fr. litière. Thans niet meer in gebruik.
Paarde-mest, die gewoonlijk met stroo, dat tot bedding der Paarden gedient heeft, vermengt is,   CHOMEL 1742 b [1770].
+3.  Als naam voor allerlei soorten van grondslagen waarop men zware voorwerpen laat rusten; zoo b. v.:
4.  In den akker- en tuinbouw, en in de nijverheid.
De beddingen geeft men eene willekeurige lengte, overéénkomstig de lengte van het land,   Handw. 15, 11 [1798].
Op deeze hord legt men eene tamelyke dikke bedding van groene of versch-gesnedene wyngaardranken,   18, 11.
5.  Als term in de aardkunde. Platte opeenhooping van eene steensoort, verschillende van de steensoort waarin die opeenhooping voorkomt.
Tusschen de lagen steenkool vindt men beddingen van sideriet   [1895].
— Zoodanige beddingen vindt men op veele plaatsen tusschen de duinen, daar het afsypelend water staan blyft,   BERKHEY, N.H. 2, 91 [1769].
Is 't mooglijk door dien grond van ijzer heen te dringen Door al die beddingen, zoo digt gepakt op een?   LOOTS, N. Ged. 132.
+6.  Bij stroomende wateren. De oppervlakte waarover het water stroomt; ook stroombed en bed genaamd.
Samenst. In de bet. 3, a). Beddingbalk, voorste balk bij de beddingen van vestingaffuiten
beddinghout, hout waarvan men zich bedient bij het leggen van beddingen (”Het beddinghout bestaat doorgaans uit greenen ribben en planken”, PASTEUR-NOOT, Bouwk. Hand-Wdb. 1, 75 )
beddingplank, grenen plank, bestemd tot het leggen van beddingen.
— In de bet. 5). Beddingsteen, de delfstof of steensoort die eene bedding opvult.
— Als tweede lid. In de bet. 3, a). Geschutbedding (zie ald.)
houwitserbedding, kanonbedding, mortierbedding (PASTEUR-NOOT, Bouwk. Hand-Wdb. 1, 75 en 76 )
noodbedding (”Indien tot het leggen van beddingen voor belegeringsgeschut het noodige hout mogt ontbreken, dan behelpe men zich met zoogenaamde noodbeddingen”, PASTEUR-NOOT, Bouwk. Hand-Wdb. 1, 77 (zie ook LANDOLT 1, 199 [1861])).
In de bet. 4). Zaadbedding (zie ald.).
In de bet. 6). Rivierbedding, stroombedding (zie die woorden).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1896.