Koppelingen:
Vorig artikel: BEEM Volgend artikel: BEEMDGRAS
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

BEEMD

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: beemd

— soms ook BEMD —, znw. m., mv. beemden (en vroeger ook wel bemen). Mnl. beemt, bempt (VERDAM 1, 679); in den Teuthon. staat bend, bij WOESTE als Westphaalsch band, als Limb. vermeldt FRANCK bampt. De oorspronkelijke vorm is waarschijnlijk geweest bamid, doch verder is omtrent de etymologie niets te zeggen.
1.  Beemd bemd, wordt bij KIL. [1588] vertaald met pratum, ager ex quo foenum percipitur, en die beteekenis heeft het ook elders. In de middeleeuwen en later was het voornamelijk: grasland, hetzij wei- of hooiland, vaak met het denkbeeld van aan of bij water te zijn gelegen. In die meer eigenlijke opvatting thans nog gewestelijk.
Beemd … is hier zeer veel in gebruik, … in het bijzonder gebezigd van zulke wei- of hooilanden, welke aan de zijde van het water liggen en doorgaans alle jaar onderloopen,   HOEUFFT, Bred. T. 30.
Dies geeft het landt een rijck en vol gewas, De beemden kruydt en volt' van voeder-gras,   CAMPHUYZEN, Ps. 104, 9 [c. 1626].
Hy vulle uw vetten beemt met klaver voor het vee,   SCHERMER 160 [c. 1710].
Grazige beemden,   LUYKEN, Z. e. St. Gez. 39.
Daar wil ik … mijn grage kudde … Doen grazen in mijn beemd, van kruid en klaver vol,   TOLLENS 3, 75 [1815].
Ick ben ghelijck als eenen beemt Wie 't sonne-schijn de groese neemt. Off als een bloemme neer-ghesleghen Door fault alleen van soeten reghen,   DE HARDUYN, Godd. Wensch. 533.
2.  In andere plaatsen, waar toch wel de eigenlijke beteekenis is bedoeld, komt deze minder duidelijk uit.
Eenen beemt gheleghen aende sye Van heuren hof, … Neffens een gracht,   V. D. NOOT, Ged. 17.
Dies wyken zy naa de beplante beemde, daar zich noch zommighen ter weere stelden,   HOOFT, N.H. 703 [1642].
Sijn' erkaeude spreuck … Des wijsen hart bequam als dorren beemd de douw,   VONDEL 2, 644 [1627].
+3.  Gaandeweg werd beemd een dichterlijk woord, meest in het mv., ongeveer hetzelfde als velden, ter aanduiding van eene vlakke landstreek.
De kneuzende oorlogsvracht beploegde Vlaandrens beemden,   TOLLENS 5, 99 [1819].
Erzerums Beemde (als naam voor het paradijs),   TEN KATE, Schepp. 162.
Terwyl gy (eene beek) van de hoogten af, … Door groene Beemden heen komt stryken,   LUYKEN, Vonken d. L. J. 51.
Waar Bloemendaal op keur van bloemen boogt, En de eer en roem van Haarlems beemd verhoogt,   D. J. V. LENNEP 187.
En als men op d' akker geen garven meer telt, Blijft zij nog de lust en 't sieraad van het veld; Kleedt zij nog de beemden in lachende kleuren (De Boekweit),   LEDEGANCK 112.
+4.  Beemd wordt zeer dikwijls te zamen genoemd met andere woorden die land of ook water aanduiden, vaak in zeer verflauwde opvatting.
Den vremen, Die in armoed' en ghebrec leeft zuldy aennemen Van stroomen en bemen als een gast ghenadich,   D. Redenr. St. Tsamenk.
(Oiiij b). Duer beemden en broecken coem ick ghewandelt hier,   Trou m. bl. 103.
Daer lacht een' beemd, een' klaverwey,   VONDEL 2, 451 [1625].
Den geest van Rachel …, Die waeren gaet door beemd en wey,   VONDEL 3, 383 [1637].
Ick (maecte) my terstont aen 't loopen door alle de huysen, door velden ende bemden,   FLORIAN., Ovid. Hersch. 131  (ed. 1650).
Dan levren boom en beemdt ons schuren vol gewas,   D. SMITS, Nagel. Ged. 1, 50.
Groene beemden, lommerryke dreeven, … en … zoetvloeiende beekjes,   BERKHEY, N.H. 3, 2 [1772].
Zijn lied, Dat galmend klinkt in beemd en dalen,   SPANDAW 1, 77 [1836].
Beemd en dal, door hem bewaterd,   3, 62.
Dreven en beemden … die gij, … van den oorsprong … van den Rijn teruggekeerd, … dubbel genoot,   POTGIETER 15, 24 [1853].
Hij joeg door beemden heen en bosschen,   DAUTZENBERG, Verspr. en Nag. Ged. 309.
De groene zomerdos van bosch en beemd is lang verkleurd,   TEN BRINK, Rom. 5, 1.
Tusschen bosschen, beemden, duinen, Ligt de grijze Spaarnestad,   BEETS 3, 218 [1855].
Afl. Beemdewaart (”De harders … gaen koy en stal ontsluiten, En trecken beemdewaert”, VONDEL 3, 738 [1640]).
Samenst. Beemdgras, Beemdklaver (zie die woorden).
— Verder, dichterlijk. Beemdebloem, weidebloem (LUYKEN, Vonken d. L. J. 74 )
beemdengroen, het groen der weiden en velden (”Op uw bevel borduurt de Lente … Met bloemen 't beemdengroen”, DE DECKER 1, 33 [1656])
beemdzoom (”beemd- en weidezoom”, DAUTZENBERG, Verspr. en Nag. Ged. 288 ).
— Als tweede lid. Grasbeemd (zie ald.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1897.