Koppelingen:
Vorig artikel: BEENDEREN II Volgend artikel: BEENDERHUIS

BEENDERGESTEL

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: beendergestel

— ook BEENGESTEL en BEENDERENGESTEL —, znw. onz., het mv. komt niet voor.
Het samenstel der beenderen in het geheele lichaam of in een deel daarvan.
Het Beendergestel der Koeijen,   BERKHEY, N.H. 5, 54 [1805].
De Orde …, schreiend Wicht, … Steef u beengestel en spieren,   BILD. 8, 310 [1827]
 (zie ook BILD., Dichtk. en Wijsbeg. 150 ).
't Beengestel van 't menschlijk hoofd,   13, 45.
Zijn gelaat was iets meer gerimpeld, … zijn hoofd nog wat kaler, zijn beengestel iets houteriger geworden,   V. LENNEP, K. Zev. 4, 103 [1865].
Haar fijn beenderengestel had haar polsen en enkels geschonken als een kind,   DAUM, Raad v. I. 4 [1888].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1897.