Koppelingen:
Vorig artikel: BEREISD Volgend artikel: BEREK

BEREIZEN

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: bereizen

bedr. zw. ww. Van Reizen. Eerst in het Nndl. voorkomende.
1.  Met een weg als voorwerp. Reizende afleggen, er langs reizen. Thans weinig in gebruik.
Franciscus …, Die eene ronde, als dry paer wereltklooten, Bereist heeft (d. i. ”die zoo veel weegs had afgelegd, als hadde hy drie malen den aardbol rondgereisd”),   VONDEL 6, 137 [1652].
2.  Reizende iemand of iets bereiken; thans zoogoed als niet meer in gebruik.
In vougen het (t.w. zeker land) van hier in 20 a 25 dagen ten langsten soude te bereysen sijn,   V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 506 [1661].
Neapolis is de havenstad van Filippi, eerste stad van Macedonië, voor wie het van deze zijde bereist,   BEETS, Paulus 83 [1853].
3.  Eene plaats of personen reizende bezoeken, vaak met het bijbegrip van herhaling, en inzonderheid om handel te drijven; de thans nog gewone beteekenis.
Hij heeft de meeste landen van Europa bereisd   [1897].
Hij bereist voor dat kantoor de provinciën Friesland en Groningen   [1897].
— Hoe … 't fier Batavië (t.w. de Nederlanders) myn Indië (t.w. van Spanje) bereist,   DE DECKER 2, 175 [166.].
Opdat men den anderen te beter over ende weder souden cunnen bereyssen om coopmanschap te drijven,   V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 415 [1660].
4.  Het deelw. bereisd wordt (evenals hd. bereist, bewandert) gebruikt als bnw. in actieve opvatting: (landen, steden) bereisd hebbende, en dientengevolge de ondervinding bezittende die men door reizen verkrijgt (verg. D. Wtb. 1, 1497 en Tijdschr. 11, 196).
Ik ben veel minder bereisd dan hij, en daarom is zijn gezelschap mij op dien verren tocht zeer aangenaam   [1897].
— Deeze … gaf zich het air van een bereisd Man,   WOLFF en DEKEN, Leev. 8, 122 [1785].
Geleerd, belezen, bereisd, … was hij een der beroemdste schilders van zijn tijd,   ALB. THIJM, Portr. v. V. 56 [1876].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1898.