Koppelingen:
Vorig artikel: BESCHADIGEN Volgend artikel: BESCHAFFEN

BESCHADUWEN

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: beschaduwen

— bij dichters ook BESCHAâUWEN —, bedr. zw. ww. Van Schaduw. Mnl. bescaden (VERDAM 1, 978).
1.  Eigenlijk, van bomen. Iemand of iets schaduw doen hebben.
Onder des Populiers coel beschauwen,   DE CASTELEIN, Const v. Rhetor. 121 [1548].
In de beschadude bossen verschuylen dertele Satyrs,   COSTER 119 [1615].
Beschaduwd door 't geboomt',   V. MERKEN, Germ. 50 [1779].
Een ruim zindelijk vertrek, … dat … door twee zware lindenbomen voor de zon beschaduwt wordt,   WOLFF en DEKEN, Burg. 217 [1782].
De boomen, die, in den hof of boomgaard, te digt op een gestaan, en daardoor elkander te veel beschaduuwd hebben,   Handw. 15, 15 [1798].
Een zelfde palmstruik, aan den muur, Beschaduwt beider graf,   STARING 1, 56 [1820].
't Loof der esschen … Beschaduwde zijn pad,   HOFDIJK, Aeddon 94 [1852].
2.  Zuiver figuurlijk.
God … geeve dien … boome (t.w. het huis van Oranje) … met zyn' bloeyende telghen, alle onderzaaten, teeghens de Spaansche hitte, en allerley onweeder, te beschaaduwen, en te beschutten,   HOOFT, N.H., Opdr. V [1642].
+3.  Vandaar: boven iets uitgespreid zijn (gezegd van vleugelen, vlaggen, zeilen), en het als het ware onder zijne hoede nemen.
Wat waetren worden niet beschaduwt van haer seylen (Op Amstelredam)?   VONDEL 3, 94 [1630]
 (verg. ook VONDEL 1, 132 [1613]).
Zoo wijt als Bickers vlagh den grooten Oceaen Beschaduwde,   VONDEL 6, 642 [1655].
Weer blijf ik verwinnaar, beschaâuwd door uw vleuglen, Mohammed!   TER HAAR, Ged. 2, 186 [1849].
4.  Uit de eigenlijke opvatting ontstaat ook het begrip van: minder duidelijk zichtbaar maken, minder helder maken, in verschillende toepassing.
Als ghij 't hel gezicht beschaduwt met de plujmen,   HOOFT, Ged. 1, 308 [1629].
Hoeden breed van randen, Beschaduwen 't gelaet,   VONDEL 2, 427 [1625].
Ick zagh Godts blyschap zelf zich met een wolck van rou Beschaduwen,   VONDEL 6, 266 [1654].
Hoe het ongeluk beschaduwe myn lot,   W. V. HAREN, Friso 6, 563.
De loodkleurige, zwaar beschaduwde tint van Christus' lijk,   ROOSES, Antw. Schildersch. 239.
5.  Iets, dat men niet wil zeggen of laten weten, min of meer bedekt houden; thans geheel onbekend.
't Krysvolk, 't welk de Hartogh by tromslagh gebood zich naa 't leegher te vervoeghen, tot een' algemeene monstering …. Dit, om de oorzaak van 't waapenen zyner troepen te beschaaduwen,   HOOFT, N.H. 848 [1642].
Socrates, … om de lasten, die … met de Liefde verzelt zijn, te beschaduwen, verdichtt enz.   (noot), JONCTIJS, Venus en Min. 27.
6.  Iets stoffelijks bedekken, hetzij met een persoon als onderwerp, of met datgene waarmede de zaak bedekt wordt; thans niet meer in gebruik.
T'hans als d' eerste wol u kaken Vanden baert beschaeuwen dee enz.,   HOOFT, Ged. 2, 203 [1605].
's Heeren Arck, die hy beschaeuwde met tapyten,   VONDEL 2, 62 [1620].
Een iegelijck van hun beschaduwt zijne haeren Met witte myteren,   VONDEL 8, 448 [1660].
Het hooft met eenen rousluier beschaduwt,   VONDEL 9, 7 [1660].
Een paar knevels …, die syn gantsche tronie beschaduwden,   HEINSIUS, Verm. Avant. 1, 228 [1695].
Breede … baarden, die een gedeelte der borst … beschaduwen,   V.D. PALM, Sal. 6, 422 [1815].
Afl. Beschaduwing, b.v. in den zin van verbloeming: zie het ww. in de bet. 5) (”Alsoo het een getrouw onderdaen toestaet, de oprechte waerheyt tegen sijn Heer te belijden, sonder beschaduwing of schijn van vleyery”, V. BOS, Don Quichot 2, 13 ).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1899.