Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: BEZEILEN Volgend artikel: BEZENDEN
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

BEZEM

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: bezem

— gewestelijk BEUZEM, en daarnaast vooral in zuidelijke gewesten BESSEM —, znw. m., mv. bezems. Mnl. bessem (VERDAM 1, 1090). De beide vormen, bezem en bessem, zijn te verklaren uit een grondvorm waarin s en m onmiddellijk op elkander volgden (ags. besma enz.: zie andere Oudgerm. vormen bij FRANCK). In enkele streken vindt men bemes in plaats van bezem (zie b.v. N. Ned. Taalmag. 2, 219 voor Zuid-Beveland).
+1.  Eigenlijk. Benaming voor verschillende werktuigen om mede te vegen, meestal gemaakt met dunne rijzen, soms ook met haren.
Gherass! haelt mij eenen bessem, doet mijn beheet!   Trou m. bl. 78.
Men maeckt seer bequame Besemen, om de kleederen schoon te vegen, van morsige vuyle Verckens rughborstelen,   VISSCHER, Sinnep. 108 a [c. 1600].
De dunne Bercken rijsen dienen om daer roeyen van te maecken, om de kinders te straffen, oft bessems om de huysen te reynigen,   DODON. 1408 b [ed. 1608].
Hy (vint) het (het huis) ledigh, met besemen gekeert enz.,   Statenb., Matth. 12, 44 [ed. 1688].
Bessemen … om … de trappen te veegen en te reinigen,   HOOFT, Mengelw. 425.
Een bezem van varkens hair,   MARIN.
Schoorsteenvegers gaan naar boven met roetige bezems,   LAURILLARD, Sch. R. 9.
Een bezempje om lampeglazen schoon te maken   [1900].
2.  Als benaming voor eene soort van vederdistel (Cirsium arvense), ook stekel, (haver)distel, boerenplaag enz. genoemd (V. HALL, Landh. Flora 118 [1854]).
Afl. Bezemen, met den bezem vegen; in sommige gewesten, o.a. in Noord-Holland ook in toepassing op het schrobben van de straat; in Zuid-Nederland wordt gezegd iemand iets bessemen, iemand iets ”bakken”, ”leveren” (t.w. een streek).
Samenst. Aschbezem (aschbessem), brembezem (brembessem), haardbezem (haardbessem), heibezem (heibessem), kleerbezem (kleerbessem), kleederbezem (kleederbessem), ovenbezem (ovenbessem), rijsbezem (rijsbessem), stalbezem (stalbessem): zie die woorden of het eerste lid.
— Als eerste lid, hetzij in samenst. of in samenst. afl. Bezemband, zeker boordband aan vrouwenrokken
bezembinder, ook als voorbeeld van iemand van geringen stand (”'t (Is) vechten en gekijf Zoowel bij eenen prins als bij den bezembinder”, J. V. RIJSWIJCK 162 ); vandaar de afl. bezembinderij (COURTM.-BERCHM., Gesch. v.d. J. 12 [1864])
bezembinderin (COURTM.-BERCHM., Gesch. v.d. J. 40 [1864]) en bezembindster (COURTM.-BERCHM., Gesch. v.d. J. 62 [1864]); in samenst. als bezembindersfamilie (COURTM.-BERCHM., Gesch. v.d. J. 38 [1864]), bezembindersnijverheid (COURTM.-BERCHM., Gesch. v.d. J. 14 [1864])
bezembinderseten, als voorbeeld van geringen kost (”Geen deftig man, die hem (t.w. den haring) nog wilt, 't Is bessembinderseten”, J. V. RIJSWIJCK 628 )
bezemboer (bezemboerinne), die ”in stad” met bezems komt venten
bezembrem, eene benaming voor de gemeene brem (zie BREM (I), Samenst.)
bessemheide, lat. erica scoparia (DODON. 1578 a [ed. 1608]; zie ook DAVID, Spinnec. 178 )
bezemkapitein, schepeling op een oorlogsschip, die met het opbergen der bezems is belast
bezemkruid, eene der benamingen van de brem (zie BREM (I)); klein bezemkruid is een naam voor de steenkers (OUDEMANS, Flora² 1, 333 ) (”De Cleynste Wilde Kersse, anders Bessemcruyt) genaemt, heeft heel dunne Steelkens”, DODON. 1205 a [ed. 1608]; zie ook DAVID, Spinnec. 309 )
bezemmaken, hetzelfde als bezembinden (”De ghene die hen onderwinden met bercksnyden ende bessem-maken”, Vl. Placcaertb. 2, 612 [1571])
bezemmaker (”Verbiedende … den voors. bessem-makers, in meerderen ghetaele t' saemen te gaene om berck te snyden dan van een ofte twee”, Vl. Placcaertb. 2, 613 [1571]; ook in den vorm beuzemaker (b.v. Handv. v. Amst., 1ste Verv. 43 a [1689]), nog over als familienaam; vandaar de samenst. bezemmakersgild (b.v. Keuren v. Haerlem 2, 69 a [1751]), en bezemmakersteenen (Ald. )
bezemrijs (”De boschwachters vorderden eenen al te hoogen prijs voor het bezemrijs, dat zij op de goederen van hunnen heer lieten snoeien”, COURTM.-BERCHM., Gesch. v.d. J. 22 [1864])
bezemroede, een bezem als eene roede waarmede een zeevoogd de vijanden tuchtigt (VONDEL 10, 588 [1666])
bezemschoon, met den bezem schoongeveegd (”Toen hy de zeevaard beesemschoon Geveilight had, van roovery”, SIX V. CHAND. 469 [1657]; gewoonlijk opgevat als: alleen maar met den bezem schoongeveegd, dus niet met water (”'t Is hier slechts besem-schoon gekeert”, SLUYTER, Eens. H.- en W.-Leven 26; ”Tot nu hebben zy (t.w. de taalzuiveraars) de Taal maar zo wat bezemschoon gehouden”, V. EFFEN, Spect. 1, 128 [1731]; inzonderheid gebruikelijk om den toestand aan te duiden waarin iemand, die een huis niet langer bewoont, het aan zijn opvolger moet overgeven
bezemsteel, hetzelfde als bezemstok (zie b.v. Gew. Weuwen. 3, 9 [1709]; HASEBROEK, W. en Dr. 124 ); in het Zaansch is bezemstaal ook eene benaming voor eene magere vrouw (BOEKENOOGEN 62 ); ook in de zegsw. hij staat of hij een bezemsteel heeft ingeslikt, hij is zeer houterig
bezemstok, stok van een bezem (”Eenich houdt, pertsen, wissen, bessem-stocken, ofte andere sorte van houte, cleen ofte groot” enz., Vl. Placcaertb. 2, 612 [1571]; ”datter … en hoope van die Teve Elck op en Beusemstock … De Schoorstien uyt laveert”, HUYGENS 1, 595 [1653] (verg. HUYGENS 1, 678 [1657]); ”Uwe beenen zijn zoo stijf als bezemstokken”, CONSC. 3, 345 a [ed. 1868]; zie nog STARING 1, 118 [1820] enz.)
bezemstoot (”Ant (joeg) … met krachtige bezemstooten het bruinende vocht over de roode tegels voort”, EMANTS, J. Lina 4 )
bezemstuiver, stuiverstukje, aldus genoemd naar den bundel pijlen die er op is afgebeeld (verg. V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 634 [1661] en MARIN ) (”Wanneer zy in dien tyd … voor een mooi bezemstuivertje een … aflaatbriefje kogten” enz., WOLFF en DEKEN, Blank. 3, 371 [1789]; ”Dat plekje daar in de lucht, zoo klein als een bezemstuivertje”, LOOSJES, Bronkh. 3, 83 [1806]).

Aanvulling bij BEZEM

Samenst. Bezemgeld, geld betaald voor bezems of voor schoonmaakwerkzaamheden (?).
An diverse kistgens op Uytert ende anders ƒ 7:14:— An ton- en besemgelt van Lichtmis ƒ 3:12:—,   R.G.P. 60, 815 [1617].
Bezemkast.
Aan het einde van het vierde leerjaar moet de leerling in staat zijn de volgende proefstukken … zelfstandig naar teekening goed te maken: bezemkast, brandleidingkast, T-stuk, elleboog,   Bijv. Stbl. 1932, blz. 139.
In de bezemkast is zelfs plaats voor de stofzuiger met slang, pijp en alle hulpstukken, waarvan het opbergen vroeger tot de grootste keukenproblemen behoorde,   SARELS V. RIJN, Koken 48 b [1951].
Bezemkast, met indeling en draaiende deur, 45 x 180 x 33 cm. 175,—,   Vendorama 1965, 1, 2.
Bezemkoers.
Bezemkoers. Deze prijskamp is aan de vrouwen voorbehouden. Al de mededingsters moeten schrijlings op een bezem gezeten om het eerst een bepaald doel bereiken. Dit spel wordt ook ”Bezemrijden” genaamd,   Volkskunde 39, 87 [1934].
Bezemrijden. Voor een aanh. zie de samenst. hiervoor.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1901.