Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: BIENVENUGELD Volgend artikel: BIERAZIJN
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

BIER

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: bier

znw. onz., mv. bieren. Mnl. bier (VERDAM 1, 1247); ohd. bior, ags. béor, eng. beer. De afkomst van dit oudgermaansche woord is niet bekend; men heeft gemeend, dat het eene afleiding zou kunnen zijn van een woord voor gerst, dat in onr. bygg, ags. béow bewaard is (verg. PAUL-BRAUNE, Beitr. 9, 537).
+ Een geestrijke drank, die gewoonlijk uit gemalen mout wordt gebrouwen (zie de nauwkeurige omschrijving Dl. III. kol. 1588); vanouds hier te lande een volksdrank.
Sij ginck in den kelder bier tappen,   DE POTTRE, Dagb. 18 [1564].
Wilt ghy geen bier meer, so tijt an 't tabacken,   COSTER 514 [1613].
Nocht bier nocht broodt om geldt te bekoomen weezende,   HOOFT, N.H. 227 [1642].
Als het bier in 't gyl staat,   Utr. Placaatb. 3, 991 a [1655]
 (zie ook Dl. IV, kol. 2339).
De werklieden werden onthaald op bier en broodjes met kaas,   SEIPGENS, Jean 137.
Afl. Bieren, bebierd (zie die woorden)
bierig, waarbij bier gedronken wordt (”een bierich ghelach”, DE DENE, Test. 374 a ); ook: veel (bier) drinkend (”bierige Matroosen”, HUYGENS 1, 149 [1624]).
Koppel. of Samenst. Bedebier, bedelaarsbier, boterbier, bottelbier, bruidsbier, buitenbier, burgersbier, doodbier, drinkbier, droogbier, dropbier, dunnebier, gerstebier, gijlbier, gildebier, groevebier, hanebier, haringbier, heulbier, jopenbier, kermisbier, kinderbier, kraambier, kwanselbier, lagerbier, legbier, mestbier, minnebier, mollebier, pakkebier, pannebier, pinksterbier, scharrebier, scheepsbier, scheibier, smokkelbier, stortebier, tafelbier, tarwebier, troostbier, warmbier, winterbier, zomerbier enz. (zie die woorden of het eerste lid). Verg. ook Gemberbier (Dl. IV, kol. 1356), dat eigenlijk geen bier is.
— In verschillende gewesten zijn nog bovendien een aantal namen bekend, hetzij van biersoorten, hetzij van gelagen, alle samenstellingen, eindigende op -bier (zie b.v. WINKLER, Oud-Nederland 316, en KNAPPERT, in Tijdsp. 1901, 2, 288, waar men aanhalingen vindt uit REITSMA en V. VEEN, Acta d. Syn.).
— Eene samenst. afl. is ook uitbieren, in West-Vlaanderen: met bier natmaken, t.w. een muur die behangen moet worden (zie Loquela 8, 48 [1888]).
— Als eerste lid.
Koppel. Zeer gewoon zijn uitdrukkingen, bestaande uit eene onbep. wijs met bier als lijdend voorwerp, als b.v. bierbeschooien, bierbrouwen, bierdrinken, biersleepen, biersteken, bierverkoopen en derg. (zie boven).
— Eene andere koppeling is bierenbrood (zie ald.).
Samenst. afl. of Samenst. Bierazijn, bierbank, bierbeschooier, bierboom, bierbrouwer, bierbrouwerij, bierbuik, bierdrager, bierdrinker, bierglas, bierhaler, bierhuis, bierkaai, bierkan, bierkelder, bierkroes, bierkruier, bierlaars, biermaat, bierpap, bierschooier, bierschuld, biersleeper, bierstal, biersteker, biertapper, bierton, biervat, biervlieg, biervoerder, bierwagen, bierwerk, bierwerker (zie die woorden).
— Verder een aantal andere woorden als b. v.: Bieraccijns (bierexcijs) (”Tot ongeloofelycker schade van den bier excys der selver Stede”, Handv. v. Leyd. 16; ”In Amsterdam hadt men … den bierexcyns, eene der oudste belastingen op de verteering, merkelyk moeten verhoogen”, WAGEN., Amst. 1, 161 a )
bierbaard, als naam voor een bierzuiper, een dronkaard (”'t Is 'nen eersten bierbaard”, CORN.-VERVL. 230 )
bierbas, in de volgende plaats, die niet duidelijk is (”Dat men zich moet wachten van te gaen daar men: Den verlooren Maendagh viert, … Daer men met den bierbas vrijt”, POIRTERS, Mask. 167 [ed. 1688])
bierbescheper, vermeld als een beroep te Amsterdam omstreeks 1636 (”De man der erflaatster is bierbescheper van beroep geweest”: zie Ned. Staatscour. v. 26 Febr. 1862 )
bierbostel (zie Dl. III, kol. 670) (”De bierbostels en spoeling is als eene lekkernij der Koeijen bekend”, BERKHEY, N.H. 4, 2, 178 [1805])
biercantine (”Bier Cantines verhuuren of verpagten: Dat is verbooden aen de Commandanten van Ryssel” enz., DIBBETZ, Milit. Wdb. 79 a [1740]
biercedel of bierceel, briefje ten bewijze dat men den bieraccijns heeft betaald (”Dat niemand van de Brouwers of Bierbeschoyers aan den anderen sal mogen overdoen, verkoopen, verruylen of ook leenen eenige Bier-Ceelen”, Handv. v. Amst. 182 b [1686]; verg. BREDERO 2, 226 [1617])
bierdoctor, voor de grap als naam voor iemand die in Duitschland is gaan promoveeren, omdat hij in Nederland niet tot de promotie kan worden toegelaten
bierdrank(”Hoe smaeckt u den bieren-dranck?” DE VYNCK, Wekel. Verm. 2, 180 )
bieredik, bierazijn (”Van elcke tonne bier-edick, binnen de Geünieerde Provincien gemaakt, sal den slyter betalen 12 stuyvers”, Utr. Placaatb. 2, 662 a [1579]; vandaar bieredikton (Utr. Placaatb. 3, 856 b [1708])
bierextract, vaste stof, bij uitdamping van bier verkregen
bierfabrikant (”De bier- en azijn-fabrikanten of trafikanten, verlangende bieren of azijnen … naar buiten 's lands te verzenden”, Wet v. 12 Mei 1819, Stbl. 23, a. 50 )
bierflesch
biergelag (”Als ghy sit in een bier-gelach, Of lapt int lijf een maetje Brande-wijn”, V. BEAUMONT 53 [c. 1620])
biergeld, vermeld in den zin van: belasting op het bier
biergist, gistcellen die ontstaan in bier: zie b.v. Alb. d. Nat. 1869, 1, 242 [1869]
bierhaan, drinkebroer (verg. kruithaan: Dl. V, kol. 1396) (”Komt, maeckt onse Bier-hanen moe, En brengt elckaer met vanen toe”, BREDERO 3, 289 [161.])
bierhal (verg. Dl. V, kol. 1572) (”Thans zouden er weinige liefhebbers komen (t.w. op tentoonstellingen), als er niet voor orkest en bierhalles gezorgd ware”, TER GOUW, Volksverm. 675 [1871])
bierhandel
bierhandelaar (”Niemand zal eenige binnegebrouwe Bieren buiten deeze Provincie moogen verzenden, dan alleen de Brouwers, Bierhandelaars, en Factoors van Bieren”, Gr. Placaetb. 7, 1294 a [1749]
bierhoofd, in Z.-N.: een man die veel bier drinkt
bierimpositie, waarschijnlijk hetzelfde als bieraccijns (”De Ordonnantie op de Bierimpositien”, Utr. Placaatb. 3, 997 b [1656])
bierkabak (t.w. in Rusland), bierkroeg (DE BRUYN, Reizen 2, 76 a [1714])
bierkamer, waarschijnlijk het kantoor van den ontvanger van den bieraccijns (”Den collecteur sal in de bierkamer geen wyn, brandewyn, ofte eenige drancken mogen laten halen of drincken, dan op zyn eygen beurs”, Utr. Placaatb. 3, 996 b [1695])
bierkermesse, in West-Vlaanderen: hetzelfde als wat bij DE BO [1873] heet pintedek (zie Loquela 10, 26 [1890])
bierkerk, voor de grap gezegd van eene herberg (DE DENE, Test. 49 b )
bierketel (Handw. 16, 30 [1799])
bierkind, hetzelfde als bierman
bierkit, ”hooge blikken pot of stoop met een oor, om bier in te tappen” (CORN.-VERVL. 230 )
bierklokke, in West-Vlaanderen: ”klokke die 's zaterdags s' avonds den zondag verkondigt” (Loquela 10, 65 [1890])
bierkop, eene maat voor bier (”Yeder vierling, maetjen, pints-melck-kop, bierkop, en … alle andere houte ende drooge maten”, Keuren v. Leyd. 206 )
bierkost, waarschijnlijk als grappige uitdrukking voor: de dagelijksche kost, voor een drinkebroer bestaande in eene zekere hoeveelheid bier (”Jy selt de bier-kost wel krijghen Jasper goedt bloet, al sinje wat sneechjes”, BREDERO, Jerol. 52 [1617])
bierkruik (zie b.v. CONSC. 1, 205 b [ed. 1867] )
bierkuf, bierkroeg (”Als of hy … in een' kroeg, of bierkuf scheen' te zitten”, PELS, Hor. 20 )
bierlag, het gelag dat men voor het bier moet betalen (Sou ick gaen betalen de luyd haer verteerde bierlaghen?” COSTER 522 [1613])
bierleverantie, t.w. van een bierbeschooier aan een tapper (Handv. v. Amst. 1192 b [1682])
bierlevering (Handv. v. Amst. 1189 b [1621])
bierloop, hetzelfde als bierkermesse (zie Loquela 6, 17 [1886])
bierman, bierdrinker (”Anderen (t.w. vrouwen) tabacco drincken, Die dan stincken, Als een bier-man, in de banck”, QUINTIJN, Lys e. B. 196 )
biermarkt (zie b.v. WAGEN., Amst. 2, 424 a )
biermingele, zekere biermaat (”Dat het Biermingele thans in waatermaat moet weegen 2 pond 15 loot” enz., Handv. v. Amst., 2de Verv. 139 b [1769]
biermoer, de schimmel die de gisting van het bier veroorzaakt (zie OUDEMANS, Leerb. d. Plantenk. 2, 138 )
biermuziek, zooveel als bierhuismuziek, goed genoeg voor een bierhuis (zie een stuk van 1759, in Tijdsp. 1898, 1, 75)
biernering, hetzelfde als bierhandel (”De genen, die … hen sullen begeven om de Bier-neringe op de Delfsche Bier-kaey te doen”, Handv. v. Amst. 1189 a [1621]
bierpaus (”De Sacramentarissen heeten Lutherum uyt schimp den Bier-Paus”, DAVID, Doolh. 399 [1605])
bierpeuter, een naam voor drinkebroer (”Bier-peuters, die hun goedt alleen met bier verquisten”, DE GRIECK, Mr. Coenraedt 27 )
bierpomp, toestel waarmede het bier uit een in den kelder liggend vat wordt opgepompt tot in het vertrek waar het wordt getapt (zie b.v. WINKLER PRINS, Encyclop. 3, 304 a )
bierpot (”Toe mannen, de bierpotten uit!” ST. STREUVELS, Zonnetij 128 )
bierproever, t.w. om het bier te keuren (”Dat de vier Supplianten … zullen zyn en blyven aangesteld als Bierproevers binnen deeze Stad”, Keuren v. Haerlem 2, 145 b [1751]
bierpsalm, in Friesland naam voor volksliedjes die in de herbergen worden gezongen (WINKLER, Oud Nederl. 324 )
bierschip (”De ordinaris Bier-schepen ende Bier-voerders van de Brouwers tot Rotterdam”, Handv. v. Amst. 1214 b [1649]
bierschraag, hetzelfde als bierstel (V. KEIRSBILCK, Timm. 54 [1898])
bierschuit (Handv. v. Amst. 765 a [1556])
bierslede (”Wanneer het mogte gebeuren …, dat 'er eenige Bier-Sleeden mogten te kort komen” enz., Keuren v. Haerlem 2, 262 a [1751]
biersluiker (”Een ”heimelijk explorateur”, die 's nachts buiten een der poorten waakte, om op de biersluikers te passen”, Oude Tijd 1872, 145 )
biersnaar (”Nachtdronckaerts … die gheerne Roeren de biersnaere” (t.w. drinken), DE DENE, Test. 365 a )
biersnuit, roode neus van een bierdrinker (”Broeders van het nat, oor-grypers van de kannen, Bier-snuyten als Kalkoens”, enz., PERS, Bacchus enz. 128 )
biersoort (”De Belgische en andere beroemde biersoorten”, Hand. d. St.-Gener. 1855—1856, 2de Kamer, Bijl. 353 b )
biersop, ongeveer hetzelfde als bierpap (”Om een bier soppe te maken in de Vasten”, Koockb. 19 [1599])
bierstel, onderstel waarop biervaten gelegd worden (zie V. KEIRSBILCK, Timm. 54 [1898]) (”'t paardt … (was) gewoon den bierstel voort te haalen”, ROTGANS, Poëzy 655 )
bierstelling, in denzelfden zin (”Hij vergeleek) … zijn oude dikke schommel van een moeder … bij een half vat op eene bierstelling”, LOOSJES, Lijnsl. 4, 43 [1808])
biertap, tapperij (”Dat … lanx den dyck, onder 't getal van tsestich huysen, oft daer omtrent, onlancx bevonden zyn geweest zeventien biertappen, ofte meer”, Handv. v. Leyd. 16(a°. 1524)
biertent, waar bier getapt wordt (V. ZEGGELEN 6, 152 [1853])
biertol (”Dat aan Burgermeesteren ende Regeerders der Stad Amersfoort zal worden geremitteert, het geene deselve, wegens eenige achterstallige jaaren, ter zaake van den Biertol … schuldig zyn”, Utr. Placaatb. 2, 823 b [1702])
bierverkooper, die bier mogen verkoopen bij de ”haalkan” (”Dat de voorsz. Bierverkoopers … geen gelagen binnen haer Huysen sullen mogen setten” enz., Handv. v. Amst. 182 b [1732])
bierweger, areometer voor het onderzoek van bier (BOSSCHA, Natuurk. § 129 )
bierwinkel, hetzelfde als biertap (”Keizer Karel de V gaf in 't jaar 1524 aan die van Leyden, datze geene bierwinkels of biertappen in Zoeterwouden … behoeven te dulden”, V. MIERIS, Beschr. v. Leyd. 617 b )
bierzak, scheldnaam voor een bierdrinker (Veelderh. Gen. Dicht. 172 ).

Aanvulling bij BIER

Samenst. Bierbalg, bierbuik.
Daer is geen bierbalgh in het lant Als d'uwe. 'k Wed, gij wel een viertien op sijn kant, Soudt stellen,   DE SWAEN 1, 128 [1688].
Trout dan, trout Met Kosen, met sijn gelt, sijn silver, en sijn gout En met sijn bierbalgh ook,   DE SWAEN 1, 163 [1688].
Bierbereiding.
Het is niet onwaarschijnlijk, dat de bierbereiding op verschillende tijden en plaatsen werd uitgevonden; want daarvoor pleit de omstandigheid, dat hoofdzakelijk driederlei methoden … zich hebben staande gehouden. Deze zijn: 1°. uit ongemout graan …; 2°. uit gemout graan …, en 3°. uit een mengsel van ongemout en gemout graan … welke wijze van brouwen … in België … in zwang is gebleven,   V. TRICHT, Wdb. d. Scheik. 1343 [1856].
Het waren vooral de Germanen die de bierbereiding hebben ontwikkeld,   LANDRÉ, Bierbr. 2 [1926].
De omzetting van het primitieve natuurlijke proces van bierbereiding in een kunstmatig proces, stelde groote financieringseischen,   V. KETEL, Financ. d. Ondern. 398 [1944].
Bierbesluit.
Bierbesluit is het besluit tot toepassing van de artt. 14 en 15 der Warenwet ten aanzien van bier, waarin de wettelijke eisen, waaraan bier moet voldoen, zijn vermeld,   W.P. Encyclop. 4, 169 a [1949].
— In Nederland is men in vakkringen nog steeds in afwachting van wat het Bierbesluit ingevolge de Warenwet zal bepalen ten aanzien van het gebruik van andere grondstoffen als gerst,   LANDRÉ, Bierbr. 10 [1926].
De kwaliteit van het bier, dat in Holland verkocht wordt, is gewaarborgd door de eischen, die in het Bierbesluit genoemd en beschreven worden,   WAGENAAR, Voedings- en Genotm. 49 [1947].
Bierbisschop, drinkebroer, dronkaard. Sinds lang veroud.
Een honds vot een droochnap Een grondeloose wael Een boomloose mande Een bierbiscop,   GHEURTZ, Adagia 9 b [1552].
Bierblik. Inz. in den verkl.
Bierblik, bierblikje, blikken busje waarin bier gebotteld is,   V. DALE [1976].
— Er werden in de slotfase (van een ijshockeywedstrijd) bierblikjes op het ijs gegooid,   Telegraaf 8 Febr. 1973, 17.
Bierflesch.
  V. DALE [1872 ].
— Staken, hier op 't eiland? Ja staken! Botte lachende gezichten. Leege bierfleschjes over de schutting. 'k Moet an me werk, hoor!   LAST, Zuiderzee 105 [1934].
Bierfust, bierton, biervat.
Door de druk van het koolzuur wordt het bier naar beneden geperst en zoekt het een uitweg via de tapstang, die zich in het bierfust bevindt. Het bier stroomt dan door de leiding naar de tapkraan,   Cursus Caféh., Alg. Bedrijfsk. 15, 1 [1956].
Biergoud, hetz. als biersteen (2°). Voor een tweede vindplaats zie de eerste aanh. bij bierslijm.
Biersteen (beter te noemen ”biergoud”) is een zeer fijn laagje, dat zich op de binnenwand van de leiding afzet en dat ontstaan is uit de inwerking van bepaalde stoffen uit het bier op het metaal,   Cursus Caféh., Drankenk. 17, 1 [1956].
Bierkist, kist of bak aan boord van een schip voor het opbergen van bier of ook wel andere dranken.
Een staande bijwoordelijke uitdrukking is ván de kist (= halfdronken, ten gevolge van het gebruik van den inhoud van de bierkist), een aardig voorbeeld van korte, aanduidende taal,   OVERDIEP, Volkst. Katw. 191 [1940].
Eerst vonden we de veilige haven toch maar je ware. Maar toen de vloer al vol met fleschjes stond, vonden we zoo'n stormpje op zee een verrukkelijk iets. Zoo'n bierkistje kan soms heel groot zijn, en dit was er zeker zoo een, want wij waren den tel al lang kwijt,   Waterkamp. n° 817, 79 c [1947].
Bierkoeler, koelbak voor bier.
Men laat de wort … afkoelen tot 60°, om ze daarna over den bierkoeler te laten loopen, die in een boven-gistend bedrijf de wort afkoelt tot 10°, in een onder-gistend bedrijf tot 5°,   KURRIS, Brouwerij 16 [1943].
Bierkoeling.
De bierkoeling moet voor donker bier en licht bier verschillend zijn,   KURRIS, Brouwerij 66 [1943].
Al is Uw bierkoeling nog zo best en al is Uw installatie piekfijn in orde, dan staat of valt de kwaliteit van het getapte bier nog met de man aan het buffet, uit een reclameblad   [1956].
Bierleiding, leiding waarlangs het bier naar de tapkraan gevoerd wordt.
De bierleiding (moet) zoo kort mogelijk en geïsoleerd zijn en liefst met zoo min mogelijk krommingen en zeker zonder scherpe bochten en zakken …. Alle onregelmatigheden in de bierleidingen geven aanleidingen tot ongewenscht schuimen: ”wild” bier!   KURRIS, Brouwerij 66 [1943].
Vooral het metaal tin veroorzaakt troebelingen van eiwit. Vandaar, dat nieuwe tinnen of vertinde bierleidingen troebelingen geven,   Cursus Caféh., Drankenk. 17, 1 [1956].
In het donkere van de bierleiding, die al jaren rustig in de kelder hangt en waardoor het bier dagelijks naar de tapkraan wordt gevoerd, bevindt zich het biersteen, uit een reclameblad   [1956].
Bierlucht.
Bierlucht, lucht, geur van bier,   V. DALE [1914 ].
— De drank, de sterke bier- en tabakslucht, welke zij den ganschen avond in de kroegen hadden ingeademd, had hem gansch bedwelmd,   WATTEZ, Koningsk. 59 [1896].
O! ze zag 't wel, … 't draaide en drentelde weer om de kroeg. Gisteren had hij al weer een bierlucht bij zich,   QUERIDO, Jordaan 1, 432 [1912].
Bierpuist, puist ontstaan ten gevolge van overmatig biergebruik.
Wat sietmen vele monstreuse Spieghelen over de Straten gaen, Aenghesichten vol Bier-Puysten, Neusen druypen van verrotte Karbonckelen … de Handen bevende …: Ia hoe menich met Tiberio zijn Bibery drincken haer selven doot datse barsten,   WESTERMAN, Iaer-Merckt 65 a [1628].
  WESTERMAN, Chr. Zee-vaert 471  (ed. 1692).
Bierpul.
Bierpul, kan met oor van aardewerk, glas of metaal om bier uit te drinken, meestal met deksel,   V. DALE [1976].
— Voor de bossen wilde bloemen die de kinders meeslepen, komen alle bierpullen en lege jampotjes op tafel,   Groene Amst. 30 Aug. 1947, 9 a.
Bierschuim.
  V. DALE [1976].
— Karel (schaterde) dan minachtend, blies ze een mondje bierschuim in 't gezicht en liep weg,   QUERIDO, Jordaan 1, 256 [1912].
U moet namelijk weten, dat vet en bierschuim aartsvijanden zijn. Maar U moet ook weten, dat het bierschuim het altijd van het vet verliest en dat het minste spoortje vet in een bierglas het schuim snel kan doen neerslaan en het glas een onooglijk uiterlijk kan geven,   uit een reclameblad [1956].
Bierslijm, slijmerige substantie die door bier in de bierleidingen afgezet wordt.
Het gaat er bij de reiniging om de losse aanslag (bierslijm, gist, bacteriën e.d.) te verwijderen en het biergoud te behouden,   Cursus Caféh., Drankenk. 17, 8 [1956].
Bier mag de goede eigenschap hebben zelf voor biersteen te zorgen, het heeft daarnaast de onhebbelijke eigenschap ook bierslijm te veroorzaken. Dat maakt het bier troebel en het beinvloedt de smaak,   uit een reclameblad [1956].
Bierslijter.
Faillissementen …. Uitgesproken. J.P. Gilhaus, bierslijter, Postjesweg 17, ook gehandeld hebbende Staringplein 13, Amsterdam,   Ned. Staatscour. 9 Maart 1925, 4 b.
Biersteen.
1°. (Voorwerpsn.) Klomp van een uit verschillende graansoorten bereide vaste stof die bij oplossing in water bier oplevert.
Biersteen, zeilithoïde. … Prof. Balling te Praag, heeft over den graansteen of biersteen … een geschrift in het licht gegeven, waarin hij het gebruik daarvan ter bereiding van bier beschrijft,   V. TRICHT, Wdb. d. Scheik. 1465 [1856].
De biersteen is meer of minder bruingeel, broos en kan in stukken geslagen worden. In water, vooral in warm, is hij gemakkelijk oplosbaar, en smaakt zeer aangenaam zoet als mout en te gelijker tijd bitter als hop,   V. TRICHT, Wdb. d. Scheik. 1465 [1856].
2°. (Stofn.) Steenachtige afzetting aan den binnenkant van de bierleiding.
Biersteen … is een zeer fijn laagje, dat zich op de binnenwand van de leiding afzet en dat ontstaan is uit de inwerking van bepaalde stoffen uit het bier op het metaal,   Cursus Caféh., Drankenk. 17, 1 [1956].
— Soms zijn de koelbakken aan de binnenzijde bestreken met een speciaal voor dit doel bereide lak, veelal echter laat men het aan de wort over door afzetting van biersteen een roestwerende laag te vormen,   LANDRÉ, Bierbr. 101 [1926].
De zich op den duur vormende biersteen, die o.a. bestaat uit hophars, fosforzure en oxaalzure-calcium, zorgt, dat het bier niet direct met het tin in contact komt,   KURRIS, Brouwerij 66 [1943].
In het donkere van de bierleiding … bevindt zich het biersteen. Het is goudgeel van kleur, zet zich als een vliesdunne laag tegen het tin van de leiding af en kan snel beschadigd worden. Dat laatste is jammer, want biersteen is nergens te koop, uit een reclameblad   [1956].
Bierstoop. In de laatste aanh. in historiseerend gebr.
Item, betaelt van den bierstoop te dragene in de processie 2 gr. Item, betaelt voor zes stoopen biers, gheschoncken in de processie … 12 gr.,   R.G.P. 75, 583 [1550].
In de Bottelrye, van Tinnewerck Vier stoops cannen … Een pint wijnscanne Vijf biscoppen of bierstoopen Twee pinten bierscannen,   bij ALLAN, Haarlem 2, 354 [1573].
De kannen met drie ooren, de bierstoopen, de dikbuikige kruiken die men op de doeken van Brueghel, Jordaens e.a. aantreft, worden nog immer vervaardigd door den landelijken pottenbakker,   PEETERS, Eigen Aard 74 [1946].
Bierverbruik.
  V. DALE [1976].
— Volgens de officieele statistiek … bedroeg het bierverbruik in 1923 per hoofd van de bevolking per jaar 25.80 liter,   LANDRÉ, Bierbr. 138 [1926].
Vóór de 18e eeuw was het bierverbruik in Holland zeer aanzienlijk. Daarna is een merkbare teruggang te constateeren. Thee, koffie en chocolade deden hierbij hun invloed gelden,   WAGENAAR, Voedings- en Genotm. 46 [1947].
Bierviltje.
Bierviltje, viltpapieren onderlegger voor bierglazen,   V. DALE [1950 ].
— Een aschbakje, een bierviltje,   N. Rott. Cour. 23 Nov. 1926 Ochtendbl. C, 1 c.
Wat heb ik 't warm! zuchtte ze …, en ze begon zich met een bierviltje koelte toe te wuiven,   HAASSE, Kleren maken de Vrouw 154 [1947].
Bier mag niet geserveerd worden, terwijl het over de rand van het glas loopt. Dat is slordig. Op tafel moet het op een bierviltje geplaatst worden, dat schoon is en droog,   uit een reclameblad [1956].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1902.