Koppelingen:
Vorig artikel: BIJL Volgend artikel: BIJLAND
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

BIJLAGE

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: bijlage

znw. vr. Een woord dat in onze taal, althans in de tegenwoordige opvatting, vrij jong is, en waarschijnlijk overgenomen uit het Hd., waar beilage in ruimer opvatting voorkomt. Bij ons alleen in toepassing op bescheiden, gevoegd bij eenig geschrift.

Een brief met twee bijlagen   [1901].
Achter den tekst (van zeker boek) vindt men een aantal bijlagen   [1901].
— Alle stukken dienende tot bylage van het request,   HALMA.
Nu onderstel ik, dat gy de bylage geleezen hebt, vóór gy deeze (t.w. dezen brief) verder leest,   WOLFF en DEKEN, Leev. 2, 111 [1784].
Als bijlage of bewijsstuk van deze historische mededeeling,   GEEL 2 [1838].
Eene inleiding … twee bijlagen …, eene voorrede …, meer behelst bovendien (t.w. behalve zekere vertelling) het boekje niet,   BUSKEN HUET, Fant. 20, 234.
Het boekje, dat hij als bijlage voegde tot zijn werk over de Reëele Philosophie,   QUACK, Soc. 1, 246.
Aanm. In de oudere taal vindt men bijlage eene enkele maal in den zin van lat. concubitus, en evenals bijlager (dat Nav. 29, 395 en 30, 426 uit Friesche schrijvers wordt aangehaald) zal het aan de taal van oostelijker gewesten ontleend zijn; verg. D. Wtb. 1, 1377.
De hooghtijt en Koninghlijcke by laege wierde … met groote pracht … volvoert,   PERS, Ontst. Leeuw 181 b.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1902.