Koppelingen:
Vorig artikel: BOOMWACHTER Volgend artikel: BOOMWOL

BOOMWAS

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: boomwas

znw. onz.; zonder mv. Uit Boom (I), in de bet. I, 1), en Was.
1.  De harsafscheiding van sommige boomen.
Boom-wachs. vetus. Resina,   KIL. [1599].
— In tijd van gebrek, brengen zij (de bijen) ook wel boomwasch of weezenlijke bruine wasch in,   Handw. 14, 23 [1797].
2.  Eene op verschillende wijzen bereide harsachtige zelfstandigheid, door de boomkweekers gebruikt om wonden, b.v. door het enten veroorzaakt, van de lucht af te sluiten; entwas.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1893.