Koppelingen:
Vorig artikel: BOTSTOUW Volgend artikel: BOTTE II
GTB Woordenboeken: MNW

BOTTEI

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: botte

BUTTE, BUT —, znw. vr.; daarnevens BOT m., en ook BODDE vr., mv. -n. Mnl. botte, butte, but, mnd. nnd. butte, ags. bytt, eng. butt, onr. zw. bytta, dee. bötte, mhd. büte, bütte, nhd. bütte, butte. Waarschijnlijk reeds vroeg ontleend aan een der volgende Romaansche vormen: fr. botte (waarnevens bote, met opene o — zie BOOT (III) — en boute, vanwaar bouteille), it. botte, botta, mlat. butta, buttis (verg. ook gr. βοτιρ, βτιρ), met de bet.: lederen zak, balg en: kuip, tobbe, vat. Verg. BOOT (III) en BOTTEL (II). De vormen met dd kunnen misschien verklaard worden uit den invloed van de in oorsprong en beteekenis verwante woorden mnd. bodene, ags. byden (ohd. butina, mhd. büten, verg. den geslachtsnaam Büttner), die uit mlat. butina, budina ontstaan zijn; in allen gevalle schijnen zij — evenmin als de elders niet voorkomende bet.: mand (die ook bij BOOT (III) gevonden wordt) — genoegzamen grond op te leveren om twee woorden: botte, vat voor natte waren, en bodde, bak, mand te onderscheiden.
1.  Vat, kuip.
Boide, tubbe, kupen, kuven, vat. Dolium,   Teuth.
Botte, butte. Dolium, orca, cupa   KIL. [1599].
2.  In den vorm but. Scheepsterm. Houten vat, den drank inhoudende voor de dagelijksche behoefte van zeven man; ook kit geheeten (V. DALE ).
3.  In den vorm but. Soort van bierkan (V. DALE ), volgens SEWEL ”Zekere hooge kan met een platte voet”; volgens V. MOOCK: ”zekere houten kan, fr. bidon”.
4.  In den vorm bodde. Vischkaar, hetzij in eene sloot of in een vischschuitje geplaatst om de gevangen visch levend te bewaren. In Noord-Holland en Friesland (BOEKENOOGEN, HALBERTSMA 421 ).
5.  In den vorm bodde. Vierkante houten bak op eene slede door een paard gesleept, in Groningen gebruikt om aarde, mest enz. over den weeken kleiweg te vervoeren (MOLEMA 44; DOORNK.-KOOLM. 1, 241 b ). In Noord-Holland in de samenstelling eerdbod (BOEKENOOGEN ).
De mest, uit de stallen getrokken, wordt in bodden geladen, en zoodanige drie bodden vol worden op één voer gerekend,   Vr. v. d. Landm.*.
6.  In de Zuidelijke gewesten vanouds: Mand of bak, van boven breed, van onderen puntig, om op den rug te dragen; draagkorf. Thans nog in enkele streken van Limburg en Zuid-Brabant (JONGENEEL, RUTTEN [1890]), bepaaldelijk; ”korf welken de Luiksche Walinnen, de botrossen, op den rug dragen” (Arch. v. Ned. taalk. 2, 365).
Botte, butte, bodde, botte. Corbis dossuaria, orca, cophinus,   KIL. [1777].
De banden van een botte. Les bretelles d' une hotte,   PLANT. [1573].
Den bot dragen. Hotter, ou porter la hotte,   PLANT. [1573].
— Een vat biers, dat de scippers te voren ghegeven was om dat sij wel een vromelic wrochten en sij deerste waren die den both droughen. V1/2 duysent spellen, die de meijsens die den both droughe ghegeve waren,   Uit eene rekening v. Bergen-op-Zoom, in Nav. 23, 32.
Afl. Botteres (zie ald.).
Samenst. afl. Botdrager (zie ald.).
Aanm. Het in den Teuth. vermelde Boideker (”cuyper, vatbender, Doliator”) is niet eene afleiding van Bodde, maar hetzelfde woord als nhd. böttcher, mnd. bodeker, afgeleid van een woord, dat ohd. botaha, mhd. boteche, nhd. bottich, ags. bodig, eng. body, en mnl. mnd. denkelijk bodeke geluid en: vat, romp, lichaam beteekend heeft. Dit bodeker is bewaard in den geslachtsnaam Beudeker (verg. Kuiper en nhd. Böttcher, Büttner, Fassbinder). — Eene andere vraag is of het in de volgende plaats voorkomende botighe een verbasterde vorm van dit woord, in den zin van: romp, buik zou kunnen zijn.
De Bootsghesellen (vangen den haai) … om haer genoechte mede te houden, steecken hem sijn ooghen uyt, oft binden hem een hout aan de steert oft botighe, laten hem als dan weder in zee vallen,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 25 d [1598].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1895.