Koppelingen:
Vorig artikel: BOUWKUNDIGE Volgend artikel: BOUWKUNSTENAAR

BOUWKUNST

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: bouwkunst

znw. vr.; zonder mv. Uit Bouwen (III), in de bet. V), en Kunst.
De kunst, de practische bekwaamheid, die men noodig heeft om doelmatige en fraaie gebouwen samen te stellen; zie verder beneden, Syn.
Nikolaes van Kampen, niet onbedreven in Boukunst,   VONDEL 3, 327 [1637].
Een volledige geschiedenis der Bouwkunst,   V. LENNEP, Poët. 5, 282 [1861].
De kerk … is … een schoon gedenkstuk van bouwkunst,   KNEPPELH. 7, 11 [1839].
De studie der overblijfselen van Grieksche bouw- en beeldhouwkunst,   STORM V. 'S GR., Bouwk. 2, 429.
Hij had smaak voor de bouwkunst, voor de muziek, aanleg voor de poëzie,   BUSKEN HUET, Rembr. 1, 128 [1882].
Hoe deist de poort, en kerck, zoo hoogh En ront gebouwt, Jupijn ter eere, Op datze ons noch de Bouwkunst leere!,   VONDEL 5, 768 [(voor) 1648].
Daer 't Raethuis het vernuft der eedle bouwkunst riep Tot stichtheer, om gerief en aenzien te bewaeren, En een geduerzaemheit, de drie (vereischten), die hier vergaeren Als krachten van de ziel der bouwkunste, in 't gesticht, Dat eeuwigh tuigen kan van 's bouwers trouwe en plicht, (Inwydinge van 't Stadhuis t' Amsterdam),   VONDEL 6, 677 [1655].
—  Ook: De bouwkunst der dieren. (zie HARTING in Alb. d. Nat. 1860, 1, 277 e.v. [1860]).
—  Bij persoonsverbeelding.
De boukunst, toenze in 't werck beooghde haeren wensch, Koos tot haer voorbeelt uit het lichaem van den mensch, Zoo meesterlijck volbout, van buiten en van binnen,   VONDEL 6, 678 [1655]
 (zie ook VONDEL 3, 335 [1637]) .
Syn. Bouwkunde, Bouwkunst. — Het eerste geeft eigenlijk de theoretische wetenschap, het tweede de practische bekwaamheid te kennen: verg. GENEESKUNST, Syn. De onderscheiding dezer woorden is later meer en meer in acht genomen. Vroeger werd bouwkunde ook gebruikt voor hetgeen juister bouwkunst zou geheeten hebben. Thans heet het vak van onderwijs in de wet bouwkunde; daarentegen spreekt men meestal van de gewrochten der bouwkunst en altijd van de schoone bouwkunst, omdat het scheppend vermogen en de smaak hieraan grooter aandeel hebben dan aan de andere afdeelingen. — Tusschen de woorden Bouwkundig en Bouwkunstig, die trouwens ook eene vrij ruime beteekenis hebben, wordt weinig onderscheid gemaakt: bouwkunstig is niet zeer gebruikelijk, en bouwkundig wordt als znw., in denzelfden zin gebezigd als bouwkunstenaar of architect; verg. geneeskundige.
Afl. Bouwkunstig (zie ald.); zie ook BOUWKUNSTENAAR.
— Ook een woord als bouwkunstmatig, maatshalve voor bouwkunstig gebruikt door BILD. 6, 304 [1802] (”Het Bouwkunstmatig schoon”), hoezeer eigenlijk eene samenstellende afleiding van Bouwkunst en Maat met -ig, kan gevoeglijk als eene gewone afleiding met -matig beschouwd worden; zie -MATIG.
Samenst. Omtrent scheepsbouwkunst, vestingbouwkunst, waterbouwkunst enz. geldt het bij BOUWKUNDE, Samenst. opgemerkte.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1895.