Koppelingen:
Vorig artikel: BRANDMEESTER Volgend artikel: BRANDMERKEN

BRANDMERK

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: brandmerk

znw. onz., mv. -en. Uit Branden en Merk.
1.  Branden, II, D, 2, a en b). Merk, teeken, op vaten, kisten, maten, koopwaren enz., of ook op dieren en menschen (t.w. slaven) gebrand, ten einde ze te kunnen onderkennen.
Het brandmerk op botervaten   [1896].
— Elcken elle … de welcke tot twee plaetsen werden Geyckt …, de houte met 't brant-merck, ende de yseren met een stale stempelken enz.   , Keuren v. Leyd. 207.
De koop gesloten zijnde, werd het verkochte mensch (een slaaf) op de borst of den schouders met de eerste letter van den naam van zijnen nieuwen meester gebrandmerkt. Ik heb gehoord, dat, als het brandmerk genezen is, de slaaf een' nieuwen naam krijgt,   LOOSJES, Bronkh. 4, 356 [1807].
Bij de inschrijving van kapitalen … zullen op het grootboek letterlijk worden overgebragt de annotatien, brandmerken, enz., op de effecten gevonden,   Wet v. 27 Jan. 1809 (Kon. Cour. n°. 39), a. 10.
+2.  Branden, II, D, 2, c). Schandmerk, onuitwischbaar teeken eener begane misdaad.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1897.