Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: DESPOTISMUS Volgend artikel: DESSEIN
Etymologie: EWN

DESSA

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: dessa

znw. vr. Ontleend aan jav. déså.
—  Naam der dorpen op Java.
Herhaaldelijk ben ik de dessa's en de bamboezen huisjes der inlanders binnengetreden,   VETH, in Gids 1864, 3, 320.
Samenst. Dessabestuur, dessahoofd (”Over de verbetering van het dessabestuur en de herstelling van de dessahoofden in de rechten, hun reeds in 1819 verzekerd”, Hand. d. St.-Gen. 1888—'89, E. K. 85 a).

Aanvulling bij DESSA

Samenst. Dessaman, inwoner van een dessa.
Het grappigste was dat hij zelf altijd hoogsoendanees sprak met iedereen, de taal die een dessaman spreekt tegen een hogere,   DU PERRON, Herkomst 188 [1935].
In de desa's … wonen de sleutelbewaarders van de bergen: de oude desamannen, die opdracht verkregen … om te zorgen, dat de goden en geesten van hun bergen geen hinder hebben van de dwaze menschen,   Zóó leven wij in Indië 256 [1942].
Zo nederig als de dessaman is, zo trots en hovaardig zijn zijn meesters, die van zijn arbeid leven,   voor V. GOENS, Gezantschapsr. 12 [1956].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1911.