Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: DIER I Volgend artikel: DIERBAAR
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

DIERII

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: dier, duur

bnw. en bijw. Mnl. dier(e); mnd. dur(e); ohd. tiuri; mhd. tiur(e); hd. teuer, os. diuri, ags. dyre, déore, eng. dear, on. dýrr. Verwanten buiten het Germaansch zijn niet bekend. Oorspronkelijk slechts dialectisch onderscheiden van DUUR (zie ald.). In N.-Ndl. nog slechts in dichterlijke taal, doch nooit in de bet. A, 2) en B, 1 en 2).
+A.  Bnw.
+B.  Bijw.
Afl. Dierbaar, dierlijk, dierte, ontdieren, verdieren (zie die woorden). Dieren, duur worden (”Het coorn (begonste) zeere te dieren, want het lange gereynt hadde, zoo dat er vele niet tot perfectie en kwamen”, V. HERMELGHEM 1, 16).
Samenst. afl. Allerdierst (”De Broeck heeft al wat in Want als de Doecken staen op het alder fierste Dan syn de Broecken … op het alder dierste”, OGIER, Seven Hoofts. 30 [1644]).
Samenst. Dierkoop (zie bij DUURKOOP), overdier (zie ald.), dierendans, iemand die zijn waren duur verkoopt of zijn werk duur berekent, gewestelijk in Z.-Ndl. (”Ik laat niks meer maken bij dieën timmerman, 't in veul te 'nen dierendans”, CORN.-VERVL.)
dierwaardig, van hooge waarde (Houtman ”laet t'lieve Vaderland t'Gheruchte synes naems, als een dierweerdigh pand”, VONDEL 1, 140 [1613], zie ook PERS bij VONDEL 1, 650 [1617]).

Aanvulling bij DIERII

Afl. Dieren, vandaar: Diering, duurte; prijsstijging.
Dat die peste ende dieringe in deselve Stadt overhant neemt,   Du. Corant. 21 a [1621].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1911.