Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: DIJENKLETSER Volgend artikel: DIJKAGE
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

DIJK

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: dijk

znw. m. Mnl. dijc, mnd. dîk, mhd. tîch, hd. teich, os. dîk, ags. dîc, eng. dike en ditch, on. dîki (onz.) deels met de bet. ”waterkeering”, deels met die van ”gracht, vijver”, deels met beide bet. De verdere verwantschappen zijn hoogst onzeker, zie FRANCK-V. WIJK.
+1.  Opgeworpen, hoofdzakelijk uit aarde bestaande waterkeering langs of om eenig water.
In lesten van octobre zoe was wel iij daeghen … groote storm van winde …, ende veel dyken die bracken al doer,   DE POTTRE, Dagb. 35 [1570].
De superintendentie, opper-regieringhe ende berecht over alle dijcken, zee-sluusen, ende waterynghen,   Cost. Vrije v. Brugge 1, 32 [1619].
De dijcken door-geboort, de opgestelde sluysen, Om door de vloet te doen den Spaenschen hoop verhuysen, Sijn van de glippers … bespot,   V. ZEVECOTE 287.
Waar boven (t.w. boven den neus) de lang-gehairde wynbrauwen door onachtzaamheit in een gewassen, een dyk schenen te strekken tegens de golven van 't dicht berimpelde voorhooft,   V. HEEMSKERK, Arc. 9.
Onaenghesien weder ende windt, door de heftighe aenperssinge der Zee, Dijcken ende Dammen overstortende, oock landtstraeten ende wegen als een zee toestelde,   Holl. Merc. 1651, 25 a [1659].
Hier zag ik paalen in den grond slaan, gins dyken versterken,   V. EFFEN, Spect. 8, 61 [1733].
Als een rivier een breuk maekt in den dyk, En schiet daer snellyk door enz.,   DE MEYER, Gramsch. 57 [1725].
Een dijk …, die door den afslag van het land niet meer te houden is,   G. DE VRIES, Holl. Noorderkw. 65.
Tengevolge van het doorsteken van dijken en dammen (was) de oude … waterweg veelal verlaten,   FRUIN, Geschr. 7, 177 [1874].
+2.  Zulk eene waterkeering als verkeersweg beschouwd. In sommige streken vormen of vormden de dijken de voornaamste of eenige verkeerswegen te land.
Alle degene, die by dijcken ende wegen tuysschen ende dobbelen,   Recht v. Reymersw. 125 [1564].
Tusschen Amsterdam ende hier (t.w. Haarlem) legghen meer dan drie hondert paerden opten dijck versmoort,   in FREDERICQ, Pamfl. 379 [1573].
Al is de dijck diep en dick, ick moetet avonturen, Ten sal niet aenlyden gheen seven uren,   V. BREUGEL, Boert. Clucht. 2, 37.
Dees koets wordt op het lest noch van den dijck gewent,   POIRTERS, Mask. 27 [ed. 1688].
Ontmoetende elkanderens kranckheyt met een Christelijcke lijdsaemheyt, sonder daer tegen te rucken of van den dijck te dringen,   345.
Zulk een … dijk … was voorwaar een slechte heerbaan voor zwaargewapenden,   G. DE VRIES, Holl. Noorderkw. 62.
3.  Zelden in den zin van: waterkeering dwars door een water gelegd, dam.
Het afgespoelde zant, slick enz. … daer het den omgeroerden Oceaen … tegens den Oever op-werpt: stoppende dus, als met een Dijck, de monden van de meeste Rivieren en Havens,   SCHOUTEN, Voyagie 1, 295 [1676].
+4.  Gegraven water, t.w. gracht, sloot, vijver, ”groenkuil” enz. In dezen zin nog gewestelijk in gebruik, o.a. in W.-Vlaand. en te Tielen (in de Kempen).
Fovea … grave, dijck, kuyl, hol,   JUNIUS, Nomencl. 265 b.
Dijck, A Fish-pool,   HEXHAM.
— Hij is in den dijk gevallen en verdronken. Het gruun gaan wass(ch)en in den dijk,   CORN.-VERVL. 1649.
Afl. Bedijken, dijkage, dijken (zie die woorden)
dijking, geheel van dijken, verg. hoving, huizing enz. (”De hooge stroomen, Die uit de groote WereldZee … Veelvoudig op zyn Dyking komen”, LUYKEN, Bykorf 351; ”Wanneer men voor de Dyking stuit Men laat zich daarom niet versaagen, Om weêr te keeren met de Schuit”, 379)
dijkloos, zonder dijk(en) (”De Halligen zijn kleine eilandjes van klei en veen, die duinloos en dijkloos open en bloot liggen in de Wadden”, WINKLER, Oud Nederl. 101).
Samenst. 1) Als tweede lid in Binnendijk, buitendijk, dwarsdijk, helmdijk, inlaagdijk, kaveldijk, landdijk, leidijk, opdijk, overlaatdijk, plempdijk, polderdijk, rietdijk, ringdijk, rivierdijk, schaardijk, schoordijk, slaperdijk, slikdijk, spoorwegdijk, wierdijk, winterdijk, zanddijk, zeedijk en zomerdijk (zie die woorden of het eerste lid). Voorts in aardrijkskundige eigennamen als: Lekdijk, Maasdijk, Rijndijk; plaatsnamen zijn b.v. Andijk, Kinderdijk, Moerdijk, Poeldijk.
2) Als eerste lid in Dijkgraaf (zie ald.) en verder in
Dijkacht, gebied waarover het gezag van een dijksbestuur zich uitstrekt.
Praesenteerende met eede te bevestigen, dat geen meerder lant … onder dit District ofte Dijkagt, was bezittende,   bij FEITH Beklemr. 1, 75 [1719].
Dijkaveling, hetzelfde als aveling.
De Aarde tot het maken van den Dyk, zal gehaalt worden buyten Dyks, … zonder nogtans de Dyckavelinge te raaken,   bij V. OUDENHOVEN, Beschr. d. St. Heusden 430 [1612].
De wasschende willigen, in den Dijck of Dijck-cavelinge staende,   Geref. Dyckr. v. Thielre e. Bommelrew. XVIII, 1.
Dijkbaas, opzichter over een dijk.
Dat gunt, 't welk hem door … den dijkbaas zal worden geordonneerd,   bij VREDENDUIN, Gesch. v. Westz. 14 [1775].
Inlichtingen (omtrent eene verpachting) geeft de Dijkbaas,   Uit eene advertentie [1899].
Dijkberm.
Dat niemandt eenige Zooden en sal mogen doen steecken of rooven op vijf en twin. tich roeden nae die Dijck-bermen van eenige Dijcken,   Gr. Placaetb. 2, 1818 [1570].
Dijkbeslag, buitenbekleeding van een dijk.
Dat het dijkbeslag bestaat uit een gewoon spreidsel van riet, bezet, in plaats van met tuinen, met gegalvaniseerd ijzerdraad, dat enz.,   Bijv. Stbl. 1878, 37.
Dijkbode, beambte die aanzeggingen doet, gelden ophaalt enz. voor een dijksbestuur.
In yder Schouwe (sullen) wesen eenen Dyckgreef, seven Dyckheemraden, eenen Dyckschrijver, ende eenen Dyckbode,   Geref. Dyckr. v. Thielre e. Bommelrew. I, 1.
Den Boode van yder Dorp (sal) het Boodeampt, als Dyksboode, gedurende den tyd van twee jaren … waerneemen,   Handv. v. Assendelft 299 [1719].
Dijkboek. — 1°. Boek waarin de verplichtingen aan het bezit der verschillende landerijen, ten opzichte van het onderhoud van den dijk verbonden, waren opgeteekend.
Indyen zy geen dyckbouck, ofte pertinent dyckbouck en hebben, soe sullen die Dyckgenooten …, met malcanderen ramen ende maecken een pertinent dyckbouck,   Fri. Placaatb. 3, 670 a [1566].
Uit het nieuwe dijkboek … blijkt, dat de aloude regel, volgens welke elke weer dijkte op haar hobreed, slechts gedeeltelijk heeft kunnen worden gehandhaafd. Naar dat nieuwe register enz.,   G. DE VRIES, Dijks- en Mb. 130.
2°. Boek waarin het dijkrecht is opgeteekend.
Na den Vollenhoofschen Dyckboeck, wat wij daer niet in connen vinden sal men uyt righten na dat Zallantsche dyckboeck,   Overijs. Stad-, Dijk- en Marker. I, 1, 47 [1604].
Dijkboete.
En mogten van outs geen dykboeten by Dykgraven, en Hooge Heemraden, geremitteert worden,   V. ZURK, Cod. Bat. 299.
Dijkboor, werktuig om gaten in een dijk te boren.
Dijkbout, overgebleven stuk van een weggevallen dijk.
Sedert zijn de twee Dijkbouten van den ouden Dijk, van tijd tot tijd, bijna geheel weggevallen,   Teg. Staat d. Ver. Ned. 10, 467.
Dijkbraak.
Soo hadden sy Supplianten, als wanneer den gemelden eersten Dijckbraack was voorgevallen, haar soodanigh geëvertueert, om de selve wederom te heelen, dat enz.,   Gr. Placaetb. 5, 1657 b [1717].
Dijkbres.
De brakke traenen, die … Ter holle dijkbresse in, een' ruimen boezem vonden,   ANTONIDES 1, 35 [1671].
Helaas! de stroom … Stuift, door de dykbres heen, De laage velden in. Vlucht, jammrende ingelanden!   V. WINTER, Jaarget. 144.
Dijkbreuk. — 1°. Breuk van een dijk.
Waar door … in korten tyd in de een of andere Polder een Dykbreuk sal voorvallen,   Gr. Placaetb. 6, 1512 a [1721].
Het kleine vonkje werd eene vlam, en het onmerkbaar lek eene verschrikkelijke dijkbreuk,   V.D. PALM, Sal. 5, 116 [1811].
Dat deze waal … door eene dijkbreuk was veroorzaakt,   G. DE VRIES, Holl. Noorderkw. 57.
2°. Overtreding van het dijkrecht; boete daarop gesteld.
Indyen den Greetman d executie op den dyckbroecken woude doen tot zyn privee costen,   Fri. Placaatb. 3, 670 b [1566].
Dijkbrief. — 1°. Hetzelfde als dijkboek in de bet. 2).
Andere dycksaken, in den Dykbrief op verscheyde plaatsen uytgedrukt,   Utr. Placaatb. 2, 79 a [1601].
2°. Hetzelfde als dijkboek in de bet. 1). Zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.
Dijkcedul, hetzelfde als dijkboek in de bet. 1).
Voorts sullen alle Kerspelen … schuldigh ende gehouden syn, van tien Jaren tot thien Jaren aen handen van den Dijckgreef … over te brengen hare Dijck-cedullen,   Geref. Dyckr. v. 't Rijck v. Nym. XVIII, 2.
Dijkdeeling, verdeeling van den dijk over de onderhoudsplichtigen.
De verstoeling en dijkdeeling geschiedden te Hoogkarspel en in de naburige dorpen klei aan klei,   G. DE VRIES, Dijks- en Mb. 155.
Dijkdelve, dijksloot.
Item sal den berm van Sinte Ontcommers poldre bliven breet twintich voeten lancx den Dyck streckende, daeraf den dyckdilf wyt sal wezen acht voeten,   bij ERMERINS, Z. Oudh. 2, 177.
Dijkdelver, dijkwerker, in Z.-Ndl.
Eten gelijk een dijkedelver.   poëem WNT
Dijkdistrict.
De boezem van het 1ste Dijkdistrict van Overijsel,   BLINK, Ned. 2, 289.
Dijkdorp, langs een dijk gebouwd dorp.
Deze beide typen van nederzettingen, de geconcentreerde nederzetting en de languitgestrekte dijkdorpen,   BLINK, Ned. 3, 256.
Dijkeed (voorheen in Groningen). — 1°. Het ambtsgebied van een dijkrechter (zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.).
2°. Het recht het ambt van dijkrechter te bekleeden.
Hier uit zyn, even als by het regtswezen, staande Schepperyën, Zyl, en Dykeeden ontstaan, indien men de meerderheid der tourbeurten had opgekogt of daarvan meester geworden was,   Teg. Staat d. Ver. Ned. 21, 254.
Dijketting, recht tot beweiding van een dijk.
Dat de Verpondingh over de Huysen, Gebouwen, Tienden, Visscheryen, Moolens, Gorsen en Dijckkettingen alom in train gebracht sal werden,   Gr. Placaetb. 4, 1196 a [1695].
(Openbare verhuring van) de dijkettingen, wegen, weilanden, gorzen, kaden, … en de binnendijksche visscherijen, behoorende aan de Gors- en Ambachtsheerlijkheid van Zuid-Beijerland,   N. Rott. Cour. v. 26 Maart 1893, 2de bl. B.
Dijkgang, de lengte waarover een dijk zich uitstrekt.
Ende zoo wanneer Den Dijk-gang verhoufslaegt wert, dat alsdan alle Eygenaers, ende Bruykers op haer Houfslag, mette begrootinge van haere margen-taelen gehouden sijn te komen,   Keuren v. Delfl. a°. 1656, a. 15.
Dijkgave, toewijzing van een dijkvak tot onderhoud.
Den Seven-geveren sal … van die besetene ende beleyde Stille-waerheyt Copie gegeven … worden …, om sich daer uyt te beleeren ende die Dijck-gave daer uyt te scheppen,   Geref. Dyckr. v. 't Rijck v. Nym. X, 4.
Dijkgeld.
Dyckghelt, waterghelt, sluysghelt,   Placc. v. Brab. 2, 18 a [1554].
Dijk-, dam- en andere ongelden,   G. DE VRIES, Holl. Noorderkw. 57.
Dijkgenoot, medebelanghebbende bij een dijk.
De Dyckgenoten ofte heure Volmachten,   Fri. Placaatb. 4, 681 b [1587].
Soo eenige Dijck-genooten … hare Dijcken niet en maken,   Geref. Dyckr. v. 't Rijck v. Nym. II, 8 [1679].
Als den Amptman ende Dijckgreeff op eenige verlooren Dijcken, die Seven-gevers offte naeste Dijck-genooten … ge-eyscht heeft, VI,   1.
Dijkgeschot, hetzelfde als dijkschot.
Indien yemant nae de selve insinuatie in ghebreecke viele om alsulcken Dijck-geschot over sijn ghemeten op te brengen,   Gr. Placaetb. 2, 1849 [1593].
Voor den Bommel hebben 8 jaeren vrydomme van verpondingh gecregen, dat noch wat solaes is om de dick-geschooten daerdoor soo veel te connen verminderen,   V.D. GOES, Briefw. 2, 12 [1669]
 (zie ook Vl. Settinghb. 5) .
Dijkgeslaagde, persoon die een deel van een dijk heeft te onderhouden, gedijkslaagde (zie bij dijkslag).
Sonder ongeltenis van de Dijck-geslaeghden,   Geref. Dyckr. v. 't Rijck v. Nym. XV, 1.
Hebben goedgevonden en verstaan … 2°. de bezwaren der dijkgeslaagden H. H. c. s. en W. V. D. c. s, … ongegrond te verklaren,   Besl. v. 29 Nov. 1850, Stbl. 69.
Dijkgezworene.
Een Polder …, die onder 't opzigt staat van eenen Dykgraaf, drie Dyksgezwoorens, eenen Penningmeester en eenen Boekhouder,   Teg. Staat d. Ver. Ned. 2, 187.
Dijkgift, hetzelfde als dijkgave.
Die dyckgifte, die hierbevoerens … durch die soeven gevers op den verloren dyck, gelegen te Oesterholt, gegeven,   in Br. O.-Vad. Recht 3, 78 [1552].
Dijkhaak, ”Stok van 1 m. lang, waar pen en haak aan is en die dient om de planken en staken te keeren in 't bewerken van eenen dijk” (CORN.-VERVL. 1649).
Dijkhater, beschadiger van een dijk.
Op pene van gestraft te worden als dijckhaters,   bij BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 361 [1591].
Dijkhating(e), dijkbeschadiging.
Dat niemand … eenige Wegen ofte Kaden in de Zijpe sal vermogen af te decken, af te halen, uyt te delven, in eenigerhande manieren, op pene van Dijk-hatinge,   Octr. v. d. Oude Zijpe, XXXIV [1716].
Dijkhaver, emolument voor den dijkgraaf, in den vorm van haver. Zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.
Dijkheemraad. Zie Dl. VI, 290.
Dijkheer, lid van een dijksbestuur.
Schoudagen, op te welcke die Dyckheren doch geholden zijn by een te comen,   Fri. Placaatb. 4, 682 [1587].
Dijkhoofd, hoofd dat een dijk beschermt.
Dat de gemelten Dijk-Graeff, Heem-Raeden, … gehouden sullen zijn, … de Dijk-Hoofden ende Kribbingen voor soo veel des Noot zy, te … doen onderhouden ende repareren,   Regl. v. d. Lande v. Althena, a. 28 [1665].
Dijkhorde, horde voor een dijk bestemd.
De dijkhorden worden alleen van water- of bitterwilgenhout samengesteld, en bestaan uit dertien even ver van elkander verwijderde paaltjes, om welke het hout der vlechtingen gelijkmatig dicht en vast is aangedreven,   Alg. Voorschr. 1901, § 416.
Dijkhoudend, verplicht een dijk te onderhouden.
Welk extra geschot vrij gelijk stond met hetgeen men berekende dat de tevens dijkhoudende gemeten, aan de hun aangewezen einden dijks, bekostigden,   VERH. V. CITTERS, Dijks- en Waterp. 363.
Dijkhouder, voorheen in Zeeland: persoon die verplicht is een dijk te helpen onderhouden of in het onderhoud daarvan bij te dragen. Zie verder BEEKMAN Dijk- en Waterschapsr.
Dijkhuis, zetel van een dijksbestuur.
Dijkkaart, charter met betrekking tot een dijk.
Die van Vugt hebben ook hun Dykregt en Dykkaart, bevestigd in 't jaar 1463, door Hertog Filips van Bourgonje,   Teg. Staat d. Ver. Ned. 2, 135.
Dijkkisting, het kisten van een dijk.
Nu ze (de Overheid) … elken persoonlijken dienst (die van militie, schutterij, brandweer en dijkkisting uitgenomen) opgaf,   KUYPER, Program 875.
Dijkland, land met dijksonderhoud bezwaard.
Van de 140 mergen, die int ambocht behoeren, zijn 75 mergen dat dycklant es, bezwaert mitter dijckaetje,   Informacie v. 1514, 53.
Oft eenich betocht waterlandt oft dijcklandt inundeerde …, daeraf moet de Proprietaris d'een helft ende de Tochteneer d'ander helft betalen vanden dijck op te maecken tot enz.,   Cost. v. Antw. 2, 370 [1582].
Alle de Dijcklanden binnen den ring van de selve Dijckagie gelegen,   Gr. Placaetb. 2, 2005 [1651].
Dijklast, last op eenig land rustende met betrekking tot het onderhoud van een dijk.
Tot onderhoud van haare swaare Dyklasten,   Gr. Placaetb. 6, 1511 a [1721].
In geval de Dykslasten eguaal waaren omgeslaagen geweest over de … Polders,   6, 1512 b.
Dijkleger en dijklegering, de toestand dat de daartoe aangewezen personen, met het oog op bestaand gevaar, den dijk bezetten.
Alle teerkosten op dyklegeringen vallende,   Utr. Placaatb. 2, 79 a [1650].
Alsoo de dycklegers somwylen eenige dagen aan den anderen zyn duurende,   2, 86 b [1650].
By voorval van eenigh noodigh Dyckleger of andere swarigheyt,   Handv. v. d. Alblasserw. 119 [1661].
Wanneer het Water komt te reizen tot de hoogte van enz. …, zal Dykleeger gehouden … worden,   Gr. Placaetb. 7, 905 a [1746].
Dijkloon, loon voor of kosten van het in orde brengen van een dijk.
Dewelke breuken met het expendeerende Dykloon de Dykgraaf sonder figuir van proces datelyk sal mogen innen,   Fri. Placaatb. 5, 292 b [1625].
Dijkmagazijn, magazijn van materiaal tot het onderhoud van een dijk.
Dijkmeester, ambtenaar belast met het toezicht op de werkzaamheden aan een dijk.
Tot Dyckmeesters te stellen goede, getrouwe, experte persoonen, hun dies verstaande, omtrent den dyck woonende, ende redelyck gegoet,   Utr. Placaatb. 2, 68 b [1533].
Die t'samentlyke Dykmeesters en Waakmeesters op ten Lekkendyk,   2, 75 a [1588].
Dijkmeter, ambtenaar belast met metingen op den dijk.
Den Dykboode die mede is Dykmeter,   Utr. Placaatb. 2, 84 a [1650].
Item, sal als Dykmeter voor het doen van de tienjarige metinge, genieten de somme van hondert guldens,   2, 84 b.
Dijkopzichter.
Dijkpaal. — 1°. Genummerde paal, gelijk er op onderling gelijke afstanden langs een dijk staan voor de plaatsbepaling. Zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.
2°. Paal tot versterking van een dijk.
Het greenen paalhout voor de dijkpalen moet zijn Noordsch … voorts regt, gaaf, goed aangeslagen en niet verouderd of verbroeid,   Algem. Voorschr. 1876, § 337.
Dijkpenningen, dijkgeld.
Aende ghemeene Ingeerfden te remboursseren de Dijck-penningen, metten interest van dien,   Gr. Placaetb. 2, 1878 [1609].
Vry van Water-gelde, Dijck-penningen, Thienden, &c.,   2, 1845 [1615].
Dijkplicht, verplichting bij te dragen in de kosten van een dijk.
Hen, die uit armoede onmachtig waren hunnen dijkplicht te vervullen,   G. DE VRIES, Dijks- en Mb. 331.
Hierbij de afl. Dijkplichtig (”De onkosten tot het onderhouden vanden Kesselschen Graeff … sullen werden om gheslagen over de … Landen daer in volgens de Loot ofte Klop-ceel Dijck-plichtigh zijnde”, Gr. Placaetb. 2, 1984 [1645]; ”Dijckplichtige goederen”, Geref. Dyckr. v. 't Rijck v. Nym. XIII, 7; ”'t Selve werdt gedecideert by seven de naeste Dyckplechtigen wederzyds, het sy die Eygenaers syn ofte Bruykers”, Handv. v. Assendelft 251; ”Ten voordeele der dijkpligtigen”, Besl. v. 29 Nov. 1850, Stbl. 69) waarbij weder dijkplichtigheid (”De Graaf legde alzoo aan deze tot op dat tijdstip vrije gemeten dijkplichtigheid op”, BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 391).
Dijkput, put die ontstaat door het uitgraven van grond ten behoeve van den dijk.
Dijkputten binnendijks worden regelmatig en volgens voorschrift der Directie gegraven,   Alg. Voorschr. 1901, § 8.
Dijkraad, dijkheemraad of dijksbestuur.
In Zuidholland … (worden) de Uiterwaarden, die oudtijds als mienten werden aangemerkt, heden meest verpacht, en door de Dijkraden of Landheeren geëigend,   BERKHEY, N.H. 9, 3 [1811].
Dijkrecht, recht met betrekking tot het dijkwezen.
Dat … de Molen-gelden geinnet ende geexecuteert sullen worden na Dijck-recht,   Gr. Placaetb. 2, 1669 [1571].
Het Landt-recht, Leenrecht, Stadt-recht, Dijck-recht ende Water-recht … die wy willen onverbrekelick onderhouden te worden,   Placc. v. Brab. 1, Bijv. 2, 8 a [1609].
Met en na den Dijck-recht daer omtrent gecostumeert,   Gr. Placaetb. 4, 1396 b [1700].
Dijkrechter en dijkrichter, overheidspersoon bekleed met gezag over dijken, dijkgraaf.
Een jaar Zijl-en-dijck-schot, ende wat van Zijl- en Dijckrechteren uitbestedet wordt; een jaar Landt-huyre, Grondt-pacht enz.   … zullen … voor alle andere schulden, praeferentie hebben, Landtr. v. Selwerdt IV, 88.
Dijkrichter en heemraden van Oostzaan erlangden die machtiging, 19 Augustus 1802, van het Departementaal bestuur,   G. DE VRIES, Dijksen Mb. 463.
Hierbij de afl. Dijkrechterschap, in Groningen vroeger in den zin van: waterschap, en de samenst. Dijkrechtereed, in Groningen vroeger: het ambt van dijkrechter, het recht op dat ambt en dijkrechtersmark, oude Groningsche munt ter waarde van tien, later van twaalf stuivers. Zie verder voor deze woorden BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.
Dijkregister, hetzelfde als dijkboek in de bet. 1).
Na het Dykregister van den 4 Juny 1598 als de meeting A°. 1678,   Utr. Placaatb. 2, 26 [1715].
Dijkrekening, gedeelte dijk tot onderhoud aangewezen aan 50 gemeten land. Voorheen op Schouwen. Zie voorts BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.
Dijkrijs, rijshout voor een dijk bestemd of gebruikt.
Dijkring. — Complex van dijken onder één beheer; waterschap
Stilzwigende Onderzettinghe (heeft) … de waerd, dat is de dijckring voor de onkosten van dijcken, dammen, molens, sluizen, wateringen ende diergelijcke,   DE GROOT, Inl. 2, 48, § 12 [1631].
Een … Dyk omringt dit gantsche Landt (t.w. de Alblasserwaard), dat in een gemeenen Dyk-ring ligt met de vyf … Heerenlanden,   BERKHEY, N.H. 1, 26 [1769].
Dijkroede, lengtemaat voor dijken, ter lengte van 16 voet.
Dat voortaan geen boomen binnen nochte buyten dycks geset sullen werden, als op het minste een halve dykroede van den voet van den dyk gemeten,   Utr. Placaatb. 2, 81 a [1645].
Dijkroerig, met betrekking tot dijkzaken.
Al 't Zyl en Dyk-roerige, onder hun bewind gelegen,   V. HALSEMA, Reg. d. Ommel. 541.
Dijkroering, ”het op een of andere wijze werken in den grond, behoorende tot het lichaam des dijks” (BEEKMAN).
Dijkrol, hetzelfde als dijkboek in de bet. 1).
Sullen oock magt hebben, den Dijck-greve synen dijck-rolle ende registeren af tho vorderen,   Geld. Placaatb. 2, Aanh. 164 b [1588].
Dijkrug.
Heel een schaar (tuimelt) Den smallen dijkrug af,   STARING 1, 92 [1832].
Dijksbeloop.
Dit riet komt evenwijdig aan de lengterichting der dijksbeloopen, nollen, rijshoofden of andere werken, waarop het rijsbeslag wordt aangebracht,   Alg. Voorschr. 1901, § 41.
Dijksbestuur.
Een aanslag wegens polderlasten, hem door zeker dijksbestuur te huis gezonden,   V. LENNEP, K. Zev. 2, 68 [1865].
Onder de grafelijke regeering hebben de samenstelling en de inrichting van het dijksbestuur … in Geestmerambacht geene verdere wijziging ondergaan,   G. DE VRIES, Dijks-en Mb. 57.
Ik (heb) de eer U … uit te noodigen, de aandacht der belanghebbende dijksbesturen in Uw gewest op deze zaak te vestigen,   Bijv. Stbl. 1878, 371.
Dijkschepen, lid van een dijksbestuur, dijkheemraad.
Die noodige Beleyders der selver Dijckagie, als een Dijckgrave, Dijck-Schepenen, Penninghmeester, ende andere,   Gr. Placaetb. 2, 1859 [1595].
Dijkschepper, voorheen in Groningen ongeveer hetzelfde als dijkgraaf. Zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.
Hierbij de afl. Dijkschepperij, waterschap in Groningen, en Dijkschepperschap, dijksbestuur in Groningen.
Dijkscheuring, dijkbreuk.
't Ampt daer die Dijck-scheuringhe gevallen,   Geref. Dyckr. v. 't Rijck v. Nym. XV, 2.
Dijkschop, houten, van onder met ijzer beslagen schop, die door dijkwerkers gebruikt wordt (CORN.-VERVL. 1649).
Dijkschot, omslag (t.w. belasting) ten behoeve van het onderhoud van dijken.
Als de selve ghemeyne contributien, Dijckschoten ende molenghelden bij den voorschreven Dijckgraef ende Heemraden, ommegheslaghen opgheset oft gheschoten sullen worden,   Placc. v. Brab. 2, 234 b [1571].
Dat de bekende Eygenaers behoorlijck gheinsinueert zijnde omme hare Dijckschooten op te brengen, gehouden sullen zijn 't selve binnen den geprefigeerden tijdt te doen,   Gr. Placaetb. 2, 1883 [1612].
Dijkschout, voorheen in het Kwartier van Nijmegen: dijkopzichter. Zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.
Dijkschouw en dijkschouwing, inspectie van een dijk of dijken.
Indyen den Grietman d eene dyckschouwinge op d ander nyet en hielde, dan anders op voerseyde behoirlycke tyden,   Fri. Placaatb. 3, 670 a [1566].
Recht van Dijck ende Wechschouwinge,   Gr. Placaetb. 2, 2007 [1651].
In ieder Dykschouwe zyn een Dykgraaf, vyf Heemraaden, een Dykschryver en één Dykbode,   Teg. Staat d. Ver. Ned. 3, 180.
Dijkschrijver, secretaris van een dijksbestuur.
In geval sy sich daer over in der vrundtschap niet en konden verghelijcken, sullen sy … ten beyden zijden aen handen des Dijck-schrijvers overleveren memorie,   Geref. Dyckr. v. 't Rijck v. Nym. V, 3.
Dijkscollege, dijksbestuur.
Gecommitteerten uyt de vier Dijck Collegien of Stoelen des Quartiers van Nymmegen te nomineren,   Geref. Dyckr. v. 't Rijck v. Nym. XIV, 1.
't Was een pikanterie tegen hem van het dijkscollege,   V. LENNEP, K. Zev. 2, 68 [1865].
Dijksdirectie, dijksbestuur.
De gehoudenheid der dijks-directien, om te zorgen enz.,   Bijv. Stbl. 1841, 62.
Dijksfloreen, dijkgeld (voorheen in Friesland, zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.).
Dijksgedeelte.
Onverschillig of daarbij … sommige dijksgedeelten verlegd, verkort of verlengd worden,   Besl. v. 29 Nov. 1850, Stbl. 69.
Dijksgedeputeerde, ongeveer hetzelfde als dijkheemraad (voorheen in Friesland, zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr).
Dijksgerecht, dijksbestuur (voorheen in Friesland, zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.).
Dijksgracht, dijksloot.
Soo verre den Dycksgrondt ende Dycksgraften zijn leggende,   Handv. v. Ench. 136 [1658].
Dijksgrond, strook grond langs en ten dienste van den dijk. Voor eene plaats zie bij Dijksgracht.
Dijkshouding, strook grond langs en ten dienste van den dijk (voorheen in Friesland, zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.).
Dijksignaat, hetzelfde als dijkboek in de bet. 1).
Mits dat dieselve Eygenaer als dan den naem van den voorigen Aennemer op het Dijck-Signaet sal laten uytdoen, ende sich selven daer op stellen,   Geref. Dyckr. v. 't Rijck v. Nym. II, 1.
Dijkskosten.
Tot soulaas van de Dykskosten by de … Polders te draagen,   Gr. Placaetb. 6, 1511 b [1721].
Obdam en Hensbroek (dragen) een veel lichter quota in de dijkskosten, in evenredigheid harer bundertalen, dan aan de andere bannen der Vier Noorder Koggen is opgelegd,   G. DE VRIES, Holl. Noorderkw. 65.
Dijkskruin.
Ginds poogt men praam en schuit ten dykkruine op te steeken,   V. WINTER, Jaarg. 144.
De minst samenhangende en weinig kleiachtige gronden worden in de binnenbeloopen en onder de dijkskruinen gebracht,   Alg. Voorschr. 1901, § 6.
Dijkslag, gedeelte van een dijk door een ingeland te onderhouden, hoefslag.
Hiervan de afl. Gedijkslaagd, verplicht een dijkslag te onderhouden (”Indien eenighe Kerspelen ofte Buyrschappen boven ofte beneden den verlooren Dijck gedijckslaeght mochten zijn”, Geref. Dyckr. v. 't Rijck v. Nym. III, 3; ”Het dorp, in welks dijk zij gedijkslaagd waren”, J. DE VRIES, Dijks- en Mb. 331).
Dijkslaging, naar het schijnt eene samenst. afl. van Dijk en Slaan, verdeeling van den dijk over de onderhoudsplichtigen.
Ten eynde deselve Twischdyck … onderhouden ende gerepareert werde by de Ingelanden, daer onder behoorende, naer uitwysen die dyckslaginge, ende stoelinghe by den Gecommitteerden by den Schout ende Schepenen daer toe gestelt,   Handv. v. Assendelft. 142 [1584].
Dijksleuf, tot op vasten grond uitgegraven geul, waarboven een dijk wordt opgeworpen.
Dijksloot, sloot die den dijk van het binnendijksche, minder vaak van het buitendijksche land scheidt.
Dat hem niemandt sal vervorderen in den Dijck-sloot nieuwe Wallen te beplaten of onbehoorlyck up te maecken, tot vernauwinge van den Dijck-sloot,   Priv. v. Westz. en Cromm. 275 [1623].
Dijkspark, afgeperkt deel van een dijk dat door één persoon of gemeenschap onderhouden moet worden.
De overtuiging, dat de verschillende dorpen van Waterland bij de hechtheid van elkanders dijksparken … belang hadden,   G. DE VRIES, Dijks- en Mb. 19.
Dijkspijs, grond voor het maken van een dijk of dijken.
Dijkstaal, dijkstal, grondslag van een dijk.
Vanden Haesdijck raeyende linie recht op 't oude Dijckstal tot achter Abbestee toe,   Gr. Placaetb. 2, 1683 [1596].
Ende buyten van 't Dyckstal ofte Gront-slagh te blyven twee Roede lengte,   Handv. v. d. Alblasserw. 64.
Dat aldaar ontrent nog een oude dijk-stal in de Meer leit, die de Konings ofte Keizers weg genoemt wort,   LEEGHWATER, Haarlemmer-Meerb. 9.
Het is met geene mogelijkheid uit te maken, waar de oude dijkstaal lag, want de zee heeft ook de laatste sporen daarvan uitgewischt,   G. DE VRIES, Holl. Noorderkw. 54.
Dijkstier, zie de aanhaling.
Elken landbouwer te verplichten … zoo het dier blijkt aan tuberculose lijdende te zijn, het in geen geval voor den publieken dienst, d. i. als zoogenaamden dijkof weg-stier toe te laten,   N. Rott. Cour. v. 23 Maart 1911, Ochtendbl. A.
Dijkstoel, dijksbestuur.
In vall eenen gehelen Stoel voor suspect gehouden werdt, sal d'Erkentenis in sulcken val geschieden by d'andere Gecommitteerde van de overige drie Dyck-Stoelen,   Geref. Dyckr. v. 't Rijck v. Nym. XIV, 6.
Instructie, en Reglement voor den Dykstoel van Vianen,   Gr. Placaetb. 7, 903 a [1746].
De Dijkstoel van het Polderdistrict de ”Circul van de Ooij” zal op Donderdag 6 April 1899 … verpachten: enz.,   Uit eene advertentie.
Dijkstroom, blijkbaar hetzelfde als dijksbeloop.
In alle Heerlijckheden ofte Dorpen, aen den Dyck-stroom gelegen, sal een schutskoye, boven ofte onder aen den Hoogen-dyck geset werden,   Handv. v. d. Alblasserw. 59.
Dijkteen, benedenrand van een dijk.
De dijkputten (worden) niet nader dan 10 M. van den dijkteen gegraven,   Alg. Voorschr. 1901, § 8.
Dijkvak.
De bedreigde dijksvakken,   Bijv. Stbl. 1841, 71.
De schouw van het dijkvak,   G. DE VRIES, Dijks- en Mb. 300.
Dijkval, afschuiving of verzakking van een dijk.
De zoogenaamde oeverafschuivingen en dijkvallen,   BLINK, Ned. 1, 436.
Verlies van of schade aan voor een werk bestemde … bouwstoffen, ontstaan door dijk- of oevervallen, ijsgang, storm enz.,   Alg. Voorschr. 1901, § 475.
Dijkvelling, (reeds in het mnl.) bedrag dat de onderhoudsplichtigen van een buitendijk, die door nieuwe indijking tot slaperdijk wordt, aan den eigenaar van den nieuwen dijk betalen.
Die vander ouder dijckagie, die by maniere van provisie de dijckvellinge op gebracht ende ghefurneert hebben,   Gr. Placaetb. 2, 1656 [1561].
Alsoo by dese Dijckagie de Capelle … ende Noort-polders seer verlicht sullen worden in 't jaerlijcks onderhouden van haerlieder Dijckagie-wercken, ende daer omme wel redene, ende naer coustuyme van Dijckagie recht is, dat de gelande vande selve Polders, in 't reguard vande preservatie van heurlieder Dijcken aende Supplianten Dijckvellinge betalen, Soo committeren … wy enz.,   2, 1874 [1606].
Dijkverstoeling, toewijzing van dijken aan verschillende onderhoudsplichtige colleges.
In de dijksverstoeling van 1319 (wordt) melding gemaakt van het Oostdorp van Enkhuizen,   G. DE VRIES, Holl. Noorderkw. 13.
Dijkvervalsching.
De klachten over dijkvervalsehingen door de aannemers, d. i. over bedrog in de verwerkte specie, over bederf of diefstal van materialen voor de werken bestemd,   G. DE VRIES, Dijks- en Mb. 590.
Dijkvestig, voorheen in Groningen: met het onderhoud van een dijk belast (zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.).
Dijkvrij, vrij van dijklasten (zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.
Dijkwacht, wacht die zich in tijd van gevaar op den dijk opstelt; ook: een beambte die aan het hoofd van zoodanige wacht staat (zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.).
Dijkwachter.
Om de dijkwachters tot eene stipte surveillance van het reglement van Policie aan te moedigen,   Bijv. Stbl. 1841, 63.
Dijkwerf, hetzelfde als Dijkgrond (zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.).
Dijkwerk (I), reeds in het mnl., voorn. in Zeeland en omgeving: specie waaruit de dijk ge maakt werd.
Alle huer dyckeerde off dyckwerck d'welck zy sellen behoeven totten voirsz. dijck,   bij ERMERINS, Zeeuwsche Oudh. 2, 193 [1526].
Dijkwerk (II), werkzaamheid voor of aan een dijk.
Alle Vonnissen ter saecke vande voorsz Dijck-wercken,   Gr. Placaetb. 2, 1794 [1634].
Dat sy … den voorschreeven opgemaakten Dijck met de jaarlycksche en dagelijcksche reparatien, Kram- en andere Dijckwerken, behoorlijck souden moeten onderhouden,   5, 1659 b [1717].
Die breuken, waarin de dorpen vervielen, die buitengewone dijkwerken door den heer bevolen weigerden ten uitvoer te brengen,   G. DE VRIES, Dijksen Mb. 289.
Dijkwerker.
Gedrukte biljetten of Aanstellinge … om aan hun als Extraordinaires Dijkwerkers te worden afgegeven,   bij VREDENDUIN, Gesch. v. Westz. 14 [1775].
Dijkwezen.
Rechtsgedingen … over zaken het dijkwezen rakende,   G. DE VRIES, Dijks- en Mb. 65.
Dijkzaak, aangelegenheid van een dijk.
Die Gerechtigheden in Dijck, Weteringh ende uytweegssaecken,   Geref. Dyckr. v. 't Rijck v. Nym. XIX.
De bevoegdheid van beheer en regeling, die aan het Hof (van Holland) in dijkszaken toekwam,   G. DE VRIES, Dijks- en Mb. 65.
Dijkzate, hetzelfde als dijkstal (zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.).
Dijkzorger, blijkbaar: lid van een dijksbestuur.
De Dyck-sorgers (hebben) … de doorgebroocken Dijcken ende Dammen wederom opgemaackt …, en … gebeetert,   SOETEBOOM, Zaanl. Arc. 197 [1658].
Aanm. 1) De samenst. die zoowel met als zonder verbindings -s voorkomen, zijn hierboven slechts eenmaal vermeld.
Aanm. 2) Zie over de samenst. met dijk uitvoeriger BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr.

Aanvulling bij DIJK

Afl. Dijkschap, zooals bij een goed vormgegeven dijk behoort.
Wildij … den dijck onder de linie dijckschap opbrengen, soo vult de lancken midden in den dijck eenen voet dickte met eerde ende dan daer een soode van ses duijmen dickte (op), soo hebdij den dijck ten vollen keure wel sat van eerde,   VIERLINGH, Tract. v. Dyck. 109 [c. 1578].
Samenst. Dijk(s)aarde.
  V. DALE [1872 ].
— Oock mede en sal men geen dijckaerde oft dijcksooden naerder den tee van den dijcke mogen nemen oft haelen oft berooven dan op 2 roeden nae,   VIERLINGH, Tract. v. Dyck. 74 [c. 1578].
Hieruit, zoowel als uit de bovengenoemde eigenschappen van goede dijksaarde, volgt dus, dat geene schelpen, zand, steen of puin, derrie, hout of rijsdeelen, stroo en riet enz. tot het opwerken van dijken mogen genomen,   CALAND, Dyksb. 43 [1833].
Dijkbescherming.
Langs de Waterlandse Zeedijk staan op enkele plaatsen … kleine stenen gebouwtjes, waarin het materiaal bewaard wordt, dat dienen moet voor de dijkbescherming en het dijkherstel,   COR BRUIJN, Dijken 120 [1936].
Dijkbeveiliging.
Op de binnenberm van de nieuwe dijken zijn ten behoeve van de dijkbeveiliging grindwegen gemaakt ter breedte van 3 m met bermen van 1 m breedte,   Deltawerken 9, 36 [1959].
Dijkbouw (zie ald.).
Dijkdoorbraak, het doorbreken van den dijk, en vandaar ook: het gat daardoor ontstaan.
  V. DALE [1976].
— De door het Duitse leger verrichte dijkdoorbraken en overstromingen (hebben) enorm veel vernield,   Hout in alle T. 3, 91 [1951].
Bij de sluiting van de dijkdoorbraak bij Ouwerkerk in 1953 moest als gevolg van het belangrijke getijverschil en de grootte van het achterliggende vloedbekken het sluitgat een breedte verkrijgen van ruim 100 m,   Deltawerken 7, 11 [1959].
Dijk(s)hoek.
Om bij de aansluiting der uitwendige dijkshoeken, door een' cirkelboog, tevens de ware punten te bepalen, tot op welke het voordeeligst is, de regte strekking voor den dijk te behouden, worden de volgende vereischten gevorderd: a. De waarde te kennen van een bunder ingedijkt land enz.,   CALAND, Dyksb. 14 [1833].
Van den dijkhoek van Eemnes naderde de ”reddingsboot”,   VOGT, Radiolev. 228 [1933].
Dijktalud.
Het strand vermindert uiteraard de golfoploop tegen het dijktalud,   Deltawerken 5, 25 [1958].
Dijk(s)verhooging.
Hoe … van de 68,000 ellen IJ-dijks, reeds meer dan 12,000 ellen met steenglooijingen hebben moeten worden voorzien, die, met de dijksverhooging slechts tegen 60 guldens de strekkende el berekend, eene uitgave van zevenmaal honderd en twintig duizend guldens vorderen,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 12, 1, 24 [1824].
Het (zal) … voldoende zijn, alle deze oorzaken aantewijzen; ten einde, door eene doelmatige dijksverhooging, op geregelde tijden, de schadelijke en vaak noodlottige gevolgen van het zakken en verlagen hunner zeedijken voortekomen,   CALAND, Dyksb. 36 [1833].
Stand der dijksverhogingen langs de Westerschelde en de aansluitende kustgedeelten op 1 oktober 1957,   Deltawerken 2, 52 [1957].
Dijk(s)versterking.
Alle deze kosten tot de anders zoo noodzakelijke dijks-versterkingen … zouden bespaard worden, indien enz.,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 12, 1, 25 [1824].
Dijksversterking in uitvoering,   Deltawerken 2, 52 [1957].
Dijkverzwaring.
In opdracht van het waterschap de Brielse Dijkring zijn in het kader van het Deltaplan een aantal dijkverzwaringen uitgevoerd langs de Rotterdamse Waterweg,   Deltawerken 6, 35 [1958].
Dijk(s)voet.
1°. In de verb. Steenbergsche dijkvoet: naam van zekere oude locale lengtemaat, kennelijk inz. in het dijkwezen toegepast.
Item men sal teijnden buijten de tee van den dijck voorseijt laeten eenen berm van 18 Steenber(ch)sche dijckvoeten,   VIERLINGH, Tract. v. Dyck. 126 [c. 1578].
2°. Onderste deel van de dijkhelling.
Zoodat de wederzijdsche dijksvoet … eenen voldoenden steun verkrijgt,   CALAND, Dyksb. 92 [1833].
Sijmen en Jan klimmen met moeite langs de dijkhelling naar boven …. Ze richten hun licht op de peilschaal onder aan de dijkvoet,   COR BRUIJN, Dijken 120 [1936].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1911.