Koppelingen:
Vorig artikel: DOLLEKERVEL Volgend artikel: DOLLEN I

DOLLEMAN

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: dolleman

znw. m. Uit Dol en Man.
1.  Krankzinnige, inzonderheid wilde krankzinnige. Thans alleen in vergelijkingen.
Hy schuymbeckte als een dolleman,   Holl. Merc. 1665, 91 [1666].
Na wel gezoopen te hebben … liepen zy … langs straat, roepende als dollemans: Sic homo enz.,   DOEDYNS, Merc. 1, 353 [1698].
Zotternyen … veel eer eenen dolleman, dan Menschen, met gezond verstand begaefd, passende,   Philanthrope 1, 399 [1757].
Daarby had hij (Lucifer) nog eene soort van agendarissen, die de menschen in het lijf kropen als wormen, en ze deden razen als dollemannen; die menschen heetten dan bezetenen,   FOKKE, Verz. W. 4, 221.
Toen hij goed begrepen had …, dat hij zou moeten doen wat hij niet verkoos, en laten wat hij 't liefste wou, toen stelde hij zich te weer als een dolleman,   A. DE WIT, Verb. Bronnen 99.
2.  Iemand die met wilde onbesuisdheid te werk gaat.
Het komt my voor, dat deze dolleman ongenegen is, ons eenig verder bescheid te geven,   V. LENNEP, Rom. 1, 302 [1833].
Hij zit bedaard te kijken naar hetgeen de andere dolleman uitvoert,   SCHIMMEL in Gids 1864, 3, 63.
Wat 'n dolleman … om zoo te hollen (zoo ontzettend hard te rijden)!   GOEKOOP-DE JONG, H. v. Suylenb.¹ 1, 95.
Samenst. Als eerste lid in Dollemansbrief (”Meld my, bid ik, dat gy dezen dollemans brief beschouwt, als zy moet beschouwd worden”, BILD., Br. 2, 71 [1805])
dollemansdag (”De Zondag heette Vette Zondag of Groote Vastelavond, de maandag Kleine Vastelavond, en de dingsdag Leste Vastelavond. Die drie dagen waren overal echte dollemansdagen”, TER GOUW, Volksverm. 189 [1871])
dollemansgril (”Dat ze van deze dollemans gril nooit gehoord of gedroomd hebben”, V. EFFEN, Spect. 12, 19 [1735])
dollemanspraat (”Dats dollemans praat”, BREDERO 2, 83 [1615])
dollemansstreek (”Zyn dit geen dollemans streeken t'Ontkennen, 't geen jou beide zo deugdlyk is bekent?” V. HALMAEL 3, 36)
dollemansstuip (”Ik ontken geenzins, dat … ik mij recht geamuseerd heb met uwe dollemans stuipen”, WOLFF en DEKEN, Wildsch. 4, 24 [1793])
dollemanswerk, alleen deze samenst. is gewoon (”'t Is dulle-mans werck zijn meel inde windt te wannen”, DE BRUNE, Bank. 2, 307 [1658]; ”Hy had drie Vrouwen getrouwt; dat dollemans werk is; zommige hebben 'er aan een te veel”, DOEDYNS, Merc. 2, 505 [1699]; ”'t Is dollemanswerk …, en ik ben van oordeel, dat 't den aanleggers den hals zal kosten”, MULDER, J.F. 2, 7 [1857]; ”Dat staat niet gelijk, dat leggen we af, dat zou dollemanswerk zijn, beter een bloode man dan een doode man”, V. EEDEN, Stud. 4, 87 [1899]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1912.