Koppelingen:
Vorig artikel: DOMPEN I Volgend artikel: DOMPEN III

DOMPENII

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: dompen

bedr. zw. ww. Van Domp (zie ald., 1ste art.).
—  Dooven, uitdooven, t.w. een licht of vlam. Thans verouderd.
Dompen, dempen. Suffocare, extinguere,   KIL. [1588]
— Eenigen middel … om dien drift der nature te dompen, te bluschen, ende t' onder te houden,   DAVID, Vleeschp. 62.
Verduystert gulde Son, en dompt u klare stralen,   COSTER 442 [1619].
Hoe ijdel en verwaent Is hy, die dompen wil soo Goddelijcke lampen, En dwalen in een' nacht, vol nevelen, en dampen,   VONDEL 2, 574 [1626].
De zon te dompen, met het stof Van voet-en-paerdevolck,   VONDEL 4, 326 [1642].
Wie dompt De Lamp?   OUDAAN, Toneelp. 102.
Om dat syn licht (van de zon bij een zonsverduistering) …, Ontrent wanneer de dagh op 't midden is, … Schier wierd gedompt,   SIX V. CHAND. 101 [1657].
De fakkel van 't Geloof moet hier het licht ontsteken; Dees dompt de nevel niet die alles hier vervult,   BILD. 6, 4 [1826].
—  Eene enkele maal met betrekking tot een geluid, dempen.
Hoe de keel dan scherp, dan zacht, Dan eens dompend, dan weêr smeltend, Klinkt in Haak, Hing, Jaag en Jagt,   KINKER 3, 189.
Afl. Domper (zie ald.).
Samenst. Domphoorn (zie ald.)
dompneus (”Dompneus, Groote neus. Grand nez à servir d'éteignoir en cas de besoin”, MARIN. — ”Dikke dompneuzen”, KIST, Eikenh. 2, 319 [1810]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1912.