Koppelingen:
Vorig artikel: DOMPEN IV Volgend artikel: DOMPHOORN I
Etymologie: EWN

DOMPER

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: domper

znw. m. Van Dompen (zie ald., 2de art.) met -er.
1.  Metalen kapje om licht, bepaaldelijk kaarslicht, onder te dooven.
Het voorlichten gaat met geen uitgebrand lampjen te samen; den domper daarop! het is tijd,   BILD., Br. 2, 293 [1829].
Zij (had) den domper op het licht gezet, zich in 't donker … uitgekleed enz.,   V. LENNEP, K. Zev. 3, 35 [1865].
Een voor een doofde de domper op een hoogen stok, door eene onzichtbare hand gehouden, de lichtjes uit,   LOVELING, Sophie 89 [1885].
De avond … zeeg … langzaam neder, tot hij als een reusachtige domper op de aardeschijf stond en alles gedekt hield,   GERMONPREZ, Nov. 205 [1901].
+2.  Bij vergelijking. Iemand die geestelijk licht, het licht der wetenschap enz. zoekt te belemmeren of tegen te houden.
Durft gy die heeren (deNeologen”) tegenspreken, Gy zyt een Domper, boos van aard,   V. LENNEP, Poët. 5, 23 [1826].
3.  Bij vergelijking. Groote neus.
Hou je dompertje d'r maar 'reis boven — lekker hè?   J. V. MAURIK, Twee Jantjes 48  (zie ook DE BO [1873] en CORN.-VERVL.).
4.  In Z.-Ndl. ook in den zin van: doofpot (Loquela 13, 74 [1893]).
Samenst. Domperstactiek.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1912.