Koppelingen:
Vorig artikel: DRAPIER Volgend artikel: DRAS II
Etymologie: EWN

DRASI

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: dras

znw. onz. Het bnw. Dras, in zelfst. gebruik.
1.  Geheel met water doortrokken grond.
Buijen stroomden 't veld tot dras,   BOGAERS 1, 219 [1846].
+2.  Bezinksel van organischen aard, draf.
Afl. Drassig (zie ald.)
bedrast, bevuild (”Gy … zyt … even eens bedrast,” BOËT. A BOLSW., Duyfk. 181).
Samenst. Drasgrond (”In die streken, alwaar waterachtige verkoudheid het vee dikwijls aandoet, als in lage veen- en drasgronden,” BERKHEY, N.H. 8, 186 [1810])
drasland
draspoel (”Dus, dwars door hoogten, holen, Door ruigte en draspoel, maakt de Aartsvijand zich een baan,” TEN KATE, Par. Verl. 54 [1878]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1914.