Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: DRICHT Volgend artikel: DRIEDUBBEL
Etymologie: EWN, EWA
Afbeeldingen: Dodoens1554
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

DRIE

Woordsoort: telw., znw.

Modern lemma: drie

DRIJ —, telw. en znw. Mnl. dri, drie mnd. dre, ohd. drî (m.), drio (vr.), driu (onz.), os. thria, threa, thriu; ags. đrî, đrio, đreo; eng. three; on. þrîr, þrjar, þrjû; got. *þreis, *þreis, þria, lat. tres; gr. τρες, skr. trayah. Eigenlijk is drie de vorm voor het vr., drij die voor het m.
+A.  Telw. — De hoeveelheid die op twee volgt.
+B.  Znw. — Cijferteeken, dat de hoeveelheid drie uitdrukt.
Ook ziet men ter zyden het oog (van zekeren visch), na den bek toe als een drietje in cyffer staan,   VALENTIJN, O.-I. III, 1, 496 b [1726].
Het eerste cijfer kan ik niet lezen, maar het tweede is een drie.   poëem WNT
Afl. Drieling, gedrieën (zie die woorden)
drieheid, 1°. de omstandigheid dat iets uit drie eenheden bestaat (”Om aen te wijsen de Drieheyt der Personen”, SPRANKHUISEN 1, 6 b [1634]); 2°. verbinding van drie zaken (”Deze drieheid zeide hij eene éénheid te zijn, en wel met veel grond, dewijl het eene zonder het andere niet bestaan kan, en deze drie onderscheiden benoemingen slechts de eenheid daarstellen”, FOKKE, Verz. W. 8, 29 [1809]); 3°. in den zin van drieëenheid (”Sommige ontkennende … de drieheyt des eenigen ende waren Gods”, in Bijdr. Hist. Gen. 17, 275 (a°. 1617); ”Zoo dat wy … geen handwijle en zouden bestaen, als gesterckt zijnde door die wonderlicke eenvuldige Dryheyd”, DE BRUNE, Embl. 161 [1624]; ”Een Lof-gesang over de gheboorte onses Heeren ende Salichmaeckers Iesu Christi; waer dat int selve aen te mercken is de ware Dry-heyt, en alle troost”, Z. Nacht 3, I; ”In 's Dryheyds naem”, VONDEL 2, 576 [1618?])
dries, driemaal, in de oudere taal en nog in de volkstaal, o.a. te Haarlem (”Ick besweerje noch iens, en noch iens, en noch iens, dat is dries”, BREDERO 1, 153 [1612]; ”Kust malkander daerop rondom dries! Elck maeck sich reê, Dat 's een, dat 's twee, Dat 's dry, dat 's op sen Fries”, STARTER 290)
drietjes, gevormd naar het voorbeeld van eentje, in verbinding met er nog gewoon in de volkstaal, althans te Leiden (”Gy hebter ientje, en Dignum Fockels hetter twietjes, En … Anne Koomen rijns hetter dryetjes”, BREDERO 3, 325 [161.]).
Samenst. afl., Koppel. en Samenst. Driedubbel, drieëenheid, drieërhande, drieërlei, driegulden, driehoek, driekoningen, driekwart, driemaal, driestal, drietal, drievoet, drievoud, drievuldig (zie die woorden) en verder in
Drieaanzicht, in dichterlijke taal.
Ons dryeaensicht, Hecaté,   VONDEL 2, 401 [1625].
Drieaanzichtig, in de aanhaling.
Ter eeren van Diana dryaensichtich,   V. MANDER, Bucol. 13 [1597].
Driearmig.
De eierstok … draagt een 3—5armigen stijl,   OUDEMANS, Flora² 2, 130.
Driebeen, in de aanhalingen toepassing op een galg met drie staken.
Dat 's, by den houten driebien, slokken!   DE REGT, Mengeld. 127.
't Recht was kort: … men (zag) hem aan den driebeen hangen,   HOFDIJK, Jonker v. Bred. 182.
Driebeenig
(Een kijker) met een' voet en driebeenigen stok, om ze zeer gemakkelyk te stellen, tot hemelsche observatien,   Lijst v. Instrumenten, achter V. MUSSCHENBROEK, Natuurk. 7 a.
Hellia, de zwarte Asinne, welke op een driebeenig paard door de wereld rijdt, pest en ziekte verspreidend,   CONSC. 2, 71 a [ed. 1868].
Drieblad — 1°. Benaming voor het waterdrieblad, Menyanthes trifoliata L. (HEUKELS [1907]; Ned. Apoth.² 352).
2°. Benaming voor de gele honigklaver, Melilotus altissimus Thuill. (HEUKELS [1907]).
3°. Benaming voor de zevengetijdenklaver, Trigonella coerulea Ser. (HEUKELS [1907]).
4°. In Drente benaming voor de planten van het geslacht Trifolium L., klaver (HEUKELS [1907]).
5°. Z.-Ndl. benaming voor het zevenblad, Aegopodium Podagraria L. (CORN.-VERVL.).
6°. Ornament uit drie bladeren samengesteld.
In de heraldiek ”klaverblad zonder steel, welks blaadjes eenigszins puntig uitloopen” (RIETSTAP).
7°. Drieluik, triptiek. In dezen zin ongewoon.
Een drieblad, voorstellend de aanbidding der Herders,   BUSKEN HUET, Rub. 140 [1879]
 (zie ook BUSKEN HUET, Rembr. 1, 525 [1882]) .
Hierbij weder de samenst. Waterdrieblad (zie bij het eerste lid)
driebladblad, blad van Menyanthes trifoliata L. (Ned. Pharmacop. 183) en driebladextract (”Driebladextract, Extractum Trifolii, een dik extract uit Driebladbladen” (Ned. Pharmacop. 157).
Driebladig.
De vrouwelijke (bloemen) … bestaan uit een 3- of 4-bladigen kelk,   OUDEMANS, Flora² 2, 517.
Driebloemig.
Een verscheidenheid … met 2- en 3-bloemige bloemstelen,   OUDEMANS, Flora² 2, 397.
Driebochtig, in de aanhaling.
Een stem, door een drieboghtige trompet krachtigh uitgewrongen,   VONDEL 5, 15 [1646].
Driebollig.
Ick heb noch onlangs een driebolligh wit steenken uyt versworen nieren sien nemen,   V. BEVERWYCK, Steen-stuck 36 b.
Driebontje, kat met drie kleuren van haar.
Drieboog, ingang door drie bogen gevormd.
Sint Steven te Nijmegen, met zijn uitspringenden drieboog,   BUSKEN HUET, Rembr. 1, 449 [1882].
Driebuikig, in toepassing op iemand die veel eet en drinkt.
Driebuuckeghe knechten,   DE DENE, Testam. 335 a.
Ghy zijt rechts een driebuuckich vat (”Soberheyt” tot ”Dronckaert”),   351 a.
Driedaagsch. — 1°. Drie dagen durende.
De driedaagsche zeeslag.   poëem WNT
2°. In Z.-Ndl. ook: derdendaagsch. De drijdaagsche of de overanderdaagsche koorts heerschte vóór ruim een vijftigtal jaren, veel onder het volk, COECKELB., Spr. 77 [1903] (zie ook CORN.-VERVL. 2214).
Driedeelig.
Eene rozet van langgesteelde 3-deelige wortelbladen,   OUDEMANS, Flora² 2, 162.
Driedekker. — 1°. Oorlogschip met drie dekken (geschutdekken) boven elkander.
Antwoorden op de vraage, welke scheepen, die met een' openen kuil of die met een' gedekten kuil, anders genaamd Driedekkers, zijn de bekwaamste, nuttigste enz.,   titel van een werk van LOMBARD en UDEMANS [1780].
Al kon men … door kracht van Toverkunst … alle onze ligte Fregatten in Drie-Dekkers veranderen,   bij J. V. LENNEP, Lev. v. C. v. L. 71 [1780].
Ik geloof warempel, dat als je zyn hart open sneed, dat je er een driedekker in vinden zou,   WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 124 [1785].
Driedekkers, welke drie volle lagen geschut boven elkander voeren, behalve nog die van het halfdek en den bak,   MOSSEL, Schip 7 [1859].
Dat de zwaarste dier schepen driedekkers waren, van welke soort van schepen … in deze dagen (± 1650) niet een eenig bij het Nederlandsche zeewezen aanwezig was,   DE JONGE, Zeew.² 1, 626.
Schepen met drie dekken, of zoogenaamde driedekkers,   3, 159.
Men wist dat de Engelsche vlag van oorlogsfregatten en linieschepen in alle zeeën wapperde, terwijl de Hollandsche driedekkers op de reede van Texel lagen te vervuren,   DE BEAUFORT, Geschiedk. Opst. 2, 10 [1875].
2°. Forsche, ongemakkelijke vrouw.
Jy moest zo een rykgeladen Haarlemmerdyker Driedekker van een Wyf hebben, die jou zo eens de volle laag kon geeven, dat je dagt, dat het aan de vier hoeken van je lyf kermis was,   WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 249 [1785].
Driedistel, naam van eene plantensoort uit de familie der Compositae, Carlina vulgaris L.
De gemeyne Drije Distel bloeyt hier te lande in Hoymaent ende Oogstmaent,   DODON. 1229 b [ed. 1608].
Hierbij weder de samenst. Driedistelwortel (VISSER, Volksn.).
Driedraad. — 1°. Koord uit drie draden samengesteld. In Z.-Ndl. (CORN.-VERVL.).
2°. Eene soort van zwaar, donker bier. Thans in N.-Ndl. onbekend.
By 't veegen van een glas Vol driedraad,   DE REGT, Mengeld. 13.
Tot laat in den nacht werden de kannen met lekkeren driedraad van hand tot hand overgeleverd,   Het Volksbelang v. 9 Febr. 1907.
Driedraadsch, uit drie draden bestaande, van drievoudige draden geweven.
Zyde Damasten … tweedraads, … Dito … driedraads,   Keuren v. Haerlem 2, 277 a [1749].
Driedronk, drievoudige heildronk.
Zou zoo de driedronk van de Caesars onzer dagen, De vriendschap tot het heil der vrede doen gewagen,   BERKHEY, Oud Holl. Vriendsch. 53 [1809].
Drieduim, plank ter dikte van drie duim. In Z.Ndl. (JOOS [1900-1904]; CLAES, Bijv. op TUERL.; CORN.-VERVL. 2215).
Drieduimer, hetzelfde als drieduim (V. KEIRSBILCK, Timm. [1898]).
Drieëen (I), drieëenheid.
Ter eere van het onbegrypelijck Drie-Een,   VONDEL 3, 598 [1639].
Dry naemen … te zamen Een' Godt betekenen, dat wonderlijck Dryeen,   VONDEL 9, 581 [1662].
Drieëen (II), drieëenig
Waer toe de goede Heylighe Dry-eene God sijn segeninge verleenen wil,   ORLERS, Beschr. v. Leyden 138 [1641].
Dan zoude hy … zyn Vaers aan den Drie-eenen God hebben kunnen opdraagen,   WOLFF en DEKEN, Leev. 2, 244 [1784].
Driegang, in de zegswijze: ga je goddelijken driegang, eene versterking van: ga je gang.
Driehaak, drietandige vork met omgebogen punten; mestvork. In Z.-Ndl.
Rikje … droeg den driehaak op den schouder,   TEIRL.-STIJNS, Arm Vl. 2, 153.
Drieharig, met haar van drie verschillende kleuren.
'En drijharige kat,   CORN.-VERVL.
Driehokkig.
De eierstok is 3-hokkig,   OUDEMANS, Flora² 3, 201.
Driehonderd.
Ende Henoch wandelde met Godt … drie hondert jaer,   Statenb., Gen. 5, 22 [ed. 1688].
Als de drie hondert met de basuynen bliesen,   Statenb., Richt. 7, 22 [ed. 1688].
Hierbij weder de afl. driehonderdste.
Driehoofd (I), znw. (zie een voorbeeld Dl. VI, kol. 973).
Driehoofd (II) bnw.
Den drie-hoofden Cerb'rus bars,   BREDERO 3, 278 [161.].
Driehoofdig,
Als een eenige Hercules desen driehoofdighen Cerberum eerst te bestrijden,   COORNHERT, Cic. Plichten VII b.
Hierbij weder de samenst. Driehoofdigheid (”Noch een dryhoofdigheit des helhonts”, VONDEL 11, 591 [1671]).
Driehuidig, van zijwormen, die driemaal van huid verwisselen.
Deeze zogenaamde driehuidige Wurmen,   Handw. 15, 81 [1798].
Drie-in-de-pan, eene soort van kleine, dikke pannekoeken met krenten, die bij drie tegelijk gebakken worden.
Driejarig.
Eene driejarige veerse, ende eene driejarige geyte,   Statenb., Gen. 15, 9 [ed. 1688].
Mits beijde zoo fiscaels als secretaris ampt bij d'heer Caen onder drie jarich verbant … begeven sijn,   Daghreg. Bat. 6, 97 [1644].
Jacob is … nu van zyne drie jaarige reize t'huis gekomen,   WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 10 [1784].
Het driejarig Marieken,   SEGERS, Licht en Br. 14 [1898].
De 3-jarige en oudere paarden,   Versl. Landb. 1909, 6, 15.
Driekant (I), znw. — 1°. Benaming voor eene plantensoort.
Platen (in Zuid-Holl.), welke met heen (Scirpus triqueter L.) … bezet zijn,   Vriend v. d. Landm. 1850, 558.
Heen wordt ook wel driekant geheeten,   Ald.
2°. In den vorm van het verkleinwoord; driehoekig gevouwen briefje.
De luitenant krijgt van avond een driekantje thuis; waarschijnlijk zal hy dwalen (in arrest gaan),   Alm. v. Holl. blijgeest. 1841, 73.
3°. Bij Diamantbewerkers. Naam van elk der beide stukken waarin het kwart wordt gekloofd (LEVIT.-POLAK).
Driekant (II), bnw.
's Driekanten blixems smit,   VONDEL 2, 711 [1629].
Zy zetten zich om strijt gelijckerhant alle te zamen driekant in slaghorden,   VONDEL 5, 408 [1646].
Een driekante doek, … met eene kant of een keurig naaiwerk omzet,   BERKHEY, N.H. 3, 806 [1773].
D. J. v. L. …, die zich anders nimmer vertoonde dan deftig in 't zwart …, het wit gepoederd hair met een driekanten hoed gedekt,   J. V. LENNEP, Lev. v. D. J. v. L. 1, 336.
Schuitjes met blanke driekante zeilen,   VOSMAER, Amaz. 24.
Driekantig.
Cupido … nam een van zijn pylen, Die hy op voordeel had drie-cantich laten vylen,   BREDERO 3, 334 [161.].
Men zagh ontelbre drommen, In een driekantigh heir, aen alle kanten brommen,   VONDEL 6, 278 [1654].
Het zoogenaamd stijgbeugeltje, zijnde een driekantig beentje, dat zoo genoemd wordt, om de gelijkheid van den stijgbeugel aan een gezadeld paard,   BERKHEY, N.H. 5, 237 [1805].
Een driekantige diamant,   V. HEMERT, Lekt. 2, 69 [1804].
Drieklank, samenklank van drie tonen van eene octaaf.
Driekleppig.
De vrucht is eene 3-kleppige doosvrucht,   OUDEMANS, Flora² 3, 215.
Drieklesoor, baksteen die slechts drie vierden van de normale lengte heeft.
Op den hoek van den muur begint men … over de volle dikte van den muur met drieklesooren,   V.D. KLOES, Mets. 10 [1908].
Het in grooten getale verhakken van steenen tot drieklesooren,   20.
De verstratingen met oude steen geschieden met de uitkomende bruikbare heele steenen, drieklezoren en halve steenen,   Alg. Voorschr. 1901, § 308, 1°.
Driekleur, iets dat uit drie kleuren bestaat of drie kleuren heeft. — 1°. In toepassing op eene vlag of een lint.
Oranje en de Nederlandsche driekleur (prijkten) aan elks knopgat,   VUYLSTEKE, Prozaschr. 2, 214.
Als hij voelt hoe aan de driekleur, die zijn hand omklemt, de eer van gansch een volk hangt,   KUYPER, Program 918.
De Witte Zee, in welke zich voorheen slechts de Hollandsche driekleur spiegelde,   DE BEAUFORT, Geschiedk. Opst. 2, 9 [1875].
2°. In toepassing op een weefsel.
Keper Graatjes, … Dito Tweekleur, … Dito Driekleur,   Keuren v. Haerlem 2, 275 a [1749].
Driekleurendruk, kleurendruk met drie platen, elk van één kleur, vervaardigd.
Driekleurig.
Reeds waait de driekleurige vlag boven le pavillon de l'Horloge,   FALCK, Br. 290.
De autoriteiten van Gent hadden de driekleurige vlaggen der muitelingen … doen opsteken,   WILLEMS, Br. 98 [1830].
Leuven en Brussel, zoo zij al niet bij de verschijning der driekleurige vaan de poorten openden …, zouden enz.,   VEEGENS, Hist. Stud. 1, 92 [1872].
Het doode lichaam moest in de driekleurige vlag als in een lijkkleed worden gewikkeld,   QUACK, Soc. 1, 352.
Het driekleurig viooltje.   poëem WNT
Drieklucht.
Elke teen levert drie of vier banden. Men verricht het spouwen door middel van drieklucht of splijt-hout, een eenigszins kegelvormig afgedraaid, 8 dm. lang stuk hard hout, hetwelk van het midden tot aan het boven- of dunne uiteinde derwijze uitgesneden is, dat het drie of vier wigvormige, als stralen van één middelpunt uitloopende messen of sneden vormt,   KUYPER, Technol. 1, 849.
Driekop.
De drie-kop Cerberus,   V. HEEMSKERK, Minne-kunst enz. 356.
Den helschen hond Den drie-kop,   LE BLEU, Minnevl. 60.
Driekoppig.
Dryekoppige Hecate,   VONDEL 2, 720 [1629].
Driekwartiershout, hout van driekwart duim dik.
Drieledig, uit drie leden of deelen bestaande.
Gelieven onze Patres conscripti eene spaak in het wiel te steken zoo moet men zich te gelijker tijd op eene drieledige taak voorbereiden,   FALCK, Br. 415.
Het onderzoek van Smith was dus van drieledigen aard in   Gids 1864, 1, 469.
Die groote liberale partij, welke … met goed gevolg eene drieledige coalitie bestreed,   BUYS, Stud. 1, 345 [1869].
Drielettergrepig.
Drielicht, vereeniging van drie vensters in eene omlijsting.
Hierbij weder de samenst. Drielichtskozijn (”Dorpels voor twee- en drielichtskozijnen moeten uit twee en drie stukken bestaan,” Alg. Voorschr. 1901, § 253).
Drielobbig.
Romaansche drielobbige vensters,   Het Volksbelang v. 1 Juli 1899.
Zoodat de 3-lobbige onderlip schijnbaar 5-lobbig is,   OUDEmans, Flora² 2, 489.
Drieluik, schilderstuk uit drie met scharnieren onderling verbonden paneelen bestaande.
Het drieluik … moest als altaarstuk in eene kapel van Sinte-Goedelekerk prijken,   Het Volksbelang v. 28 April 1910.
Driemaandelijksch.
Driemaandelijksche tijdschriften,   WILLEMS, Br. 151 [1838].
(De) driemaandelijksche lijsten van nieuw uitgekomen boeken,   FRUIN, Geschr. 9, 362 [1878].
Nu werd het tijdschrift geschoeid op de leest van de drie Engelsche driemaandelijksche tijdschriften,   QUACK, Stud. 244 [1886].
Drieman, vertaling van lat. triumvir, iemand die met twee anderen het gezag deelt of samenwerkt.
Den wrev'len Marius, en zijnen vyandt woedich Ontvolckten Rome, met bannissementen bloedich, De driemans speelden 't nae; sij waeren hem gelijck,   HOOFT, Ged. 1, 112 [1610].
Het gevolg hiervan was … dat de Raad en het volk van Rome dezen wellustigen verdwaasden Drieman (Antonius) alle bewind ontzegden,   V. HALL, Mess. Corv. 1, 7.
De commissie der driemannen werd benoemd,   QUACK, Soc. 1, 40.
Driemanschap.
De woede, waar mee het Driemanschap kort te voren Romen tot een schouwplaats der onmenschelykste gruwzaamheid gemaakt had,   Denker 2, 415 [1765].
Dat gy met een gevaarlyk driemanschap te stryden hebt: met Laster …, Nyd … en Kwaadaartigheid,   WOLFF en DEKEN, Leev. 4, 243 [1784].
Het edel driemanschap, 't welk het eerst, openlijk, de Fransche heerschappij in Nederland vervallen verklaarde,   V. D. PALM, Red. 4, 131.
Elkaâr bedreigend in de vlakte van Filippi, lag Brutus kamp en 't kamp der drijmanschap,   RODENBACH 37.
Zijn prediking en die zijner twee vrienden … verwekte in dat Zweden onrust, en het gevolg was, dat het driemanschap door Gustaaf Wasa weldra uit het land werd gezet,   QUACK, Soc. 1, 105.
Driemast.
Ziet driemasten zeilen door de opene sluis,   V. LENNEP, Poët. 5, 161 [1826].
Driemaster.
Hij had schepen in zee, koffen, brikken en driemasters, die uit de havens van noordelijk en zuidelijk Europa, uit West en Oost, beladen huiswaarts stevenden,   POTGIETER 1, 71 [1844].
Een enkele kolossale driemaster … lag somber en zwart te midden van die flikkerende en vonkelende lichten,   MULDER, J.F. 1, 45 [1857].
Driemastprauw.
Acht groote driemastpraauwen (kwamen) uit zee op,   V. REES, T. Poland 1, 255 [1867].
Driemastschip.
Ik geloof warempel, dat als je zyn hart open sneed, dat je er een driedekker in vinden zou, ten minsten een driemast Schip,   WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 124 [1785].
Op het Driemast-Schip de Stad Amsterdam,   6, 184.
De grootste schepen hebben drie masten, alle met raas voorzien, waar tusschen de vierkante zeilen worden uitgespannen; zij heeten daarom Driemast- of Fregatschepen,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 2 [1858].
Drienervig.
Lancetvormige, langpuntige, 3-nervige schutbladen,   OUDEMANS, Flora 3, 233.
Drieoogig, met een scherp waarnemingsvermogen; wien niet licht iets ontgaat. Gewestelijk, b.v. in Overijsel.
Drieoorig. Zie Dl. XI, 51.
Driephasenmotor.
De werkingen van den driephasen- of draaistroom-motor,   V. CAPPELLE, Electr. 594 [1908].
Driephasenstroom.
Driepikkel, thans alleen in Z.-Ndl. — 1°. stoel, bankje of voetstuk met drie pooten, driestal, drievoet.
Drie-pickel, Treeft, Trivet, to set pots upon the fire,   HEXHAM.
— In stede van bij den schoenmakersdriepikkel neder te zitten,   CONSC. 3, 371 b [ed. 1868].
Waschkuipen werden op driepikkels geplaatst,   Vader Bergmann's Gedenkschr. 39.
Er zat eens een oud vrouwken op 'nen driepikkel vóór haar deurken te spinnen,   DE MONT en DE COCK, Vl. Vert. 73 [1898].
2°. Samenstel van drie puntige houten.
Om de hondert stappen ontmoetten wij eenen houten driepikkel, dienende om het berijden van den weg te verhinderen, als dezelve vermaakt werd,   NOLET DE BR., Proza 1, 37.
Hierbij weder de samenst. Driepikkelstoel.
De … Muze van de volksdichting … zet … zich, op een lagen schemel of een wankelenden driepikkelstoel, te midden van ”plukkers” en ”pluksters”,   DE MONT en DE COCK, Vl. Vert. III [1898].
Driepikkelig, met drie pooten.
Kunstig gesnedene stoelen en driepikkelige tafels,   CONSC. 2, 93 b [ed. 1868].
Drieponder. — 1°. Kanon dat kogels van drie pond schiet.
Een goede hechte stercke houte redout …, voor een drieponder uyt boots te schieten,   V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 585 [1661].
D'effeuyten … van drie ponders,   V.D. GOES, Briefw. 2, 388 [1672].
2°. In toepassing op verschillende zaken, die drie pond wegen, b.v. op een verzwaringsstuk (LEVIT.-POLAK) en een brood (CORN.-VERVL. 1662).
3°. In toepassing op eene soort van spijker van 31/2 duim lang, waarvan er duizend in drie pond gaan (PIJTAK [1848]).
Driepootig.
Daar zit gij nu … aan eene driepootige tafel, gereed om enz.,   SLEECKX 9, 131 [1864].
Driepunt.
De draeck … Nam teffens al 't vergift op zijn drypunte tong,   VONDEL 10, 283 [1663].
Driepuntig.
Haere driepuntige tonge,   VONDEL 5, 116 [1646].
Men zagh een enckelheit in een driepuntigh licht, Zoo spiegelgladt, gelijck een diamant, geslepen,   6, 278.
Zij (zaten) … op stoelen van de 16de eeuw, in zwarte tabbaarden, en met den driepuntigen hoed op,   GEEL 22 [1838].
Drieriem, vertaling van lat. triremis.
Alleene is de drieriem van Germanicus, in den lande der Chaucen aangekoomen,   HOOFT, Tac. 46 [c. 1635].
Drieriemschip. Zie Dl. XIII, 125.
Drieschaft, naam van eene geweven stof.
Drieschaft. Keper en effen grynen 800 a 1000 een draads d'el … Drieschaft of Tierentaai … Estamiene d'el,   Utr. Placaatb. 3, 773 a [1727].
Drieschijfsblok.
Drie of meer schijfsblokken hebben … twee of meer middenschotten en worden in het algemeen gijn-blokken geheeten,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 81 [1858].
Drieslag. — 1°. Zekere onregelmatige gang van een paard, dat de voorbeenen tegelijk en de achterbeenen beurtelings beweegt.
2°. Krukbeweging, waarbij drie bochten met een onderling verschil van 120 graden op eene as gesteld zijn.
Om aan het vereischte te voldoen, maakt men de kruk met een drieslag, waartoe men een cirkel … in drieën verdeeld, en op deze deelpunten elken slag van de kruk, op het hart aanhaalt,   KROOK, Molenb. 133 [1851].
Tot het op- en neerschuiven der ramen, wordt in de kruk … drie bogten …, op eenen zuiveren drieslag gemaakt,   154.
3°. Drievoudige slag.
De kleine Constant (stond) … met … Frans en den handknecht koren te dorschen. De tengere droomer klopte niet hard door. Dat was licht hoorbaar aan den ongelijken drieslag,   DE VOS, Vl. Jong. 57.
Drieslagslot, slot dat driemaal omgedraaid wordt.
Er zijn ook Drie- en Vierslagsloten doch de laatste komen steeds minder voor,   V.D. KLOES, Smid 345 [1908].
Drieslagstelsel, landbouwstelsel, waarbij verschillende gewassen elkaar in een tijdvak van drie jaar afwisselen.
Men noemt alzoo de Landbouw van Twenthe, zoowel als die van de Hooge Veluwe het drieslagstelsel, omdat daar gewoonlijk in het eerste en tweede jaar op denzelfden akker rogge staat, die in het derde door boekweit wordt afgewisseld,   Med. d. Geld. Maatsch. v. Landb. 1849, 110.
De vruchtopvolging deed nog sterk denken aan het drieslagstelsel met boonen en klaver in het braakjaar,   Versl. Landb. 1910, 1, 74.
Drieslagwissel, wissel die toegang geeft tot drie sporen.
Het drieslagwissel met 2 doode sporen … werd opgebroken,   Versl. Raad v. Toezicht Spoorwegd. 1898, 74.
Drieslippig.
Eéne zittende bloem met een 3- of 4-slippigen kelk,   OUDEMANS, Flora² 2. 138.
Driesnedig, dichterlijk.
Haere tong (van zekere slang), drysnedigh, en drykant,   VONDEL 8, 248 [1660].
Dien drysnedigen en fellen Geschoten vierpijl,   VONDEL 11, 351 [1671].
Driesnijdend, met drie sneden.
Staet door driesnijnde straelen Noch 't aerdrijck niet in gloed?   VONDEL 2, 730 [1629].
Driespan, span van drie trekdieren.
Ons driespan draaft door, voert mij mede,   BEETS 3, 217 [1855].
Als een stevige boer het driespan drijven …, dat was zijn lust!   STIJN STREUVELS, Minneh. 2, 98 [1903].
Hierbij weder de samenst. Driespantuig (”Een driespantuig te koop of te huur”, Uit eene advertentie).
Driespletig.
Driesprong, plaats waar drie wegen samenkomen.
Ik (quam) … op straat …, en stond op eene driesprong voor den Aanegang,   SCHREVELIUS, Harlem. 152.
O 't is sulcken suur-muyl …! S' is lang-geneust en dick-gelipt, met losse hangende wangen, Men souwse op een drie-sprong setten om jonge Nickers te vangen,   BREDERO 1, 217 [1612].
Wy … quamen aan een driesprong, zonder te weten welke weg wy in moesten rijden,   Voyag. v. Klenk 202 [1677].
Dus op eene vreezelyke driesprong staande, en myn teerhartige man my het (zekere operatie) volstrek afradende,   WOLFF en DEKEN, Br. 94.
Weldra hadden onze wandelaars den driesprong bereikt, waar men den weg naar Klein Hardestein insloeg,   V. LENNEP, K. Zev. 1, 346 [1865].
Driestaart, benaming voor de mannelijke exemplaren van den gewonen rog (SCHLEGEL, Visschen 197).
Driestapel, drievoet. Zeer ongewoon.
Frans heeft een Leere Kulder aan, een Raarekiek-kast op zijn rug, en een Driestapel in zijn hand,   Gew. Weuwen. 3, 32 [1709].
Driestemmig, van muziek: voor drie stemmen geschreven, door drie stemmen uitgevoerd of uit drie stemmen bestaande.
Driester, driestar. — 1°. Figuur bestaande uit drie in een driehoek geplaatste sterren.
2°. Kort courantenartikel, waarvan de aanvang door drie sterretjes wordt aangegeven.
In de Standaard komt onder bovenstaanden … titel de volgende driestar voor,   Prov. Overijss. Cour. v. 26 Febr. 1914, Tw. Bl.
Hierbij weder de samenst. Driestarschrijver (”De driestar-schrijver van de Standaard”, Prov. Overijss. Cour. v. 26 Febr. 1914, Tw. Bl.).
Driestoel, hetzelfde als driestal; alleen in de aanhaling aangetroffen. Voor de spreekwijze, zie bij DRIEVOET.
Men sal hem croenen mit een drystoel,   MEIJER, Spreekw. 43.
Driestuiverspenning.
Oude afgesleeten driestuivers, en vijfgroots penningen, en alle de vreemde quaade dubbeltjes,   Gr. Placaetb. 7, 1116 a [1750].
Driestuiversstuk.
Alle soorten van driestuivers stukken,   Gr. Placaetb. 7, 1116 b [1750].
Drietallig, een drietal vormend, uit een drietal bestaande.
Bestaat het gevinde blad uit één paar blaadjes met een eindblaadje, dan valt het samen met het drietallige blad,   OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 2, 65.
Drietand (I), znw.
1°. Vork met drie tanden. — α) Als wapen, vooral van Neptunus.
Madame d'Ondervindinge …, siende Vader Neptuin, sijne met Mosch begroeide, Drietand, gewoonlijk meerder ter vermorsseling van groote Water-Casteelen als der Visschers geringe Bootjes gebruiken …, sal enz.,   V. YK, Scheepsb. 9 [1697].
Neptuin, op zyne Schelpkoets, met den drietand gewapend,   WAGEN., Amst. 2, 7 b.
Brittanje, koningin der baren …, werkt met onvermoeibre kracht. Haar drietand wil 't gedrocht (het Frankrijk der Revolutie) tot diep in 't harte streven,   BILD. 13, 99 [1799].
De met wit en rood op het voorhoofd geteekende drietand van Civa,   V. LIMB. BROUWER Jr., Akbar 189 [1871].
Hij (Neptunus) komt; en voert als staf der zee zijn' scherpgepunten drietand meê,   TER HAAR, St. Paulusr. 14.
β) Als boerengereedschap; mestvork.
De boere binnen, ien deel, soo morsich in de durreppe, Me souwer het vuyl met een drietant wel op wurrepe,   VIJGH, Jaep Rontv. 13.
2°. Zeker onderdeel van eene draaibank.
Drietand. … Onder dezen naam is een op de spil (van den draaibank) vastgeschroefde kop bekend, welke een scherpe stalen middelpunt-spits en daarnevens twee breeder snijdende tanden bevat; deze drie deelen worden in het eindvlak van het te bewerken voorwerp gestoken, en verrichten te samen dezelfde dienst, als bij 't metaal-draaijen tusschen punten, de spits der spil benevens den meênemer,   KUYPER, Technol. 1, 761.
3°. Naam van zekere soort van slak, Bulimus tridens Müll., wier mond met drie tandvormige verdikkingen is voorzien, HERKLOTS, Weekd. 37.
Drietand (II), bnw., met drie tanden.
Neptun … Met zijn dry-tande Vorck,   STARTER 232.
Dijn drytande scepter,   HERCKMANS, Zeev. 51.
Drietandig.
(Neptunus) nam sijn drietandige gaffel,   COORNHERT, Odyss. 1, 25 b.
Des Priesters jonge quam, dewijle het vleesch koockte, met eenen drietandigen krauwel in sijne hant,   Statenb., 1 Sam. 2, 13 [ed. 1688].
Een riek is eene drietandige mestvork,   CONSC. 1, 89 a [ed. 1867].
Daarenboven is deze lip 3- en de onderlip 2-tandig,   OUDEMANS, Flora² 2, 486.
Drieteenig.
De Drieteenige Strandlooper … is dadelijk onder alle inheemsche Snipvogels te herkennen door het volslagen gebrek van den achterteen,   SCHLEGEL, Vogels 175.
De Drieteenige Meeuw … heeft de grootte der voorgaande, wijkt echter van alle overige soorten daardoor af, dat haar achterteen tot een klein stompje zonder nagel beperkt is,   236.
Drievlakshoek, hoek die ontstaat waar drie vlakken elkander snijden.
Zijn drie projecteerende vlakken gegeven, dan vormen deze aan het punt O weer een drievlakshoek,   DE VRIES, Beschr. Meetk. 1, 46.
Drievleugelstuk, drieluik, triptiek.
Het kapitaal drievleugelstuk,   ROGGHÉ, Gedenkbl. 434.
Drievoetig.
(De mensch in den ouderdom) zwack en kranck op eenen stock moet lenen, En als drye voetigh gaen met zijnen doornen staf,   VONDEL 1, 233 [1613].
In obscoenen zin.
Wat heb ick in mijn tijd al aengerecht: Heer Wat bin ick een drievoetige haen onger de duykende hennen eweest!   TENGNAGEL, Frick in 't Veurh. 8.
Hierbij weer de afl. Drievoetigheid, in de aanhaling waarschijnlijk in obscoenen zin (”Wel Dochters, wat dunckje nou van mijn drievoeticheyt? En hebje nou geen sin in Symen songer Soeticheyt?” BREDERO 1, 246 [c. 1612]).
Drievormig.
Spanien heeft eenen drijvormighen Geryonem voortgebraght,   DAVID, Waers. 26.
Drievoud (I), znw.
Het kapitaal van de vennootschap bedraagt nu het drievoud van het oorspronkelijke bedrag.   poëem WNT
Drievoud (II), bnw., drievoudig.
Heeft de drievouwde punt Des fellen blixems het op mijn hooft oock gemunt?   HOOFT, Ged. 2, 364 [1617].
De dwalinge … der sterren hy bespied: Hy weet of 't is Nature, of Engel, die de ronde Met een dryvouwde Keer doet op een tijd en stonde,   VONDEL 1, 358 [1620].
Ik bid om mijn beschore rampen …, om u geslagt enz. …, om 't drievout wesen en heilige geheimenissen van Diana,   VALENTIJN, Ovid. 1, 46.
Driewas, aankomende jongen of meisje (CORN.-VERVL. 1663). Verg. verschillende bet. van DRIELING.
Drieweg, plaats waar drie wegen samenkomen. Thans ongebruikelijk.
De Honden …, vervolgende eenen Haes of ander Wildt, ende komende op eenen Drie-wegh …, speuren deur den Reuck werwaerts de voorschreven Haes of Wildt sich heeft begheven,   MERULA, Wildern. 2, 58 [1605].
Hierbij weder de samenst. Driewegkraan, kraan die drie buizen opent en sluit.
Driewield, met drie wielen. Alleen in toepassing op een bepaalden vorm van boerenwagen; wipkar.
Openbare vrijwillige verkooping van … Tilbury, Kar, 3 Boerenwagens, driewielde Kar,   Uit eene advertentie.
Driewieler, rijwiel met drie wielen.
Driezijdig.
Driezins.
Oordeelt niet, op dat ghy niet geoordeelt en wert. … Dit verboden oordeel wert driesins gevelt, als men 't goede ten quaden duydt, als men 't quade tot slimmer treckt, als men twijfelachtige ten ergsten uytleydt,   CATS 1, 9 b [1618].

Aanvulling bij DRIE

Samenst., samenst. afl. en kopp. Drieaderig.
Het toestel dat een vermogen heeft van ca 185 W kan door middel van een drie-aderig snoer en een contactstop met randaarding op de lichtleiding worden aangesloten,   Bouwk. Encyclop. 1, 156 a [1954].
Drieaderige kabel, three-core cable,   SCHOENMAKER, Naut.-techn. Wdb. [1963].
Driebaansweg.
  Aant. v. A. V. DAM [c. 1960].
Driebanden, (bilj.) als verkorting van driebandenspel.
Van Belle (werd) 14 maal kampioen van België (5 × 45/2 …, 1 × driebanden en 3 × vijfkamp),   Sportencyclop. 132 b [1951].
Driebandenpartij, (bilj.).
Driebandenpartij. De speelbal moet alvorens de derde bal te raken, ten minste driemaal één of meer banden geraakt hebben om een carambole geldig te doen zijn,   Sportencyclop. 137 b [1951].
Vijfkamp …, bestaat uit een combinatie van vijf partijen te weten: 1. de vrije partij (libre), 500 punten partijlengte; 2. de partij anker-kader 47/2, 400 punten partijlengte; 3. de eenbandpartij, 150 punten partijlengte; 4. de partij anker-kader 71/2, 300 punten partijlengte; 5. de driebandenpartij, 50 punten partijlengte,   Sportencyclop. 159 b [1951].
Driebandenspel (ook verkort tot driebanden; zie hierboven), biljartspel waarbij men met de gespeelde bal minstens driemaal een band moet raken voordat deze den derden bal raakt.
Driebandenspel van goede spelers is uwe belangstelling genoeg waard om er naar te kijken,   DOMMERING en DE GOEDE, Biljartsp. 67 [1950].
Bij het driebandenspel worden gewoonlijk de afstandstekens als hulpmiddel gebruikt,   Sportencyclop. 137 b [1951].
Driebandenstoot, (bilj.).
Bal 1 ligt in r 30, bal 2 in r 1—2, bal 3 in a—b—1—2. — Stoot laag, raak halfvol — bal 1 loopt over de banden A—D—C—B naar bal 3 (driebandenstoot),   DOMMERING en DE GOEDE, Biljartsp. 46 [1950].
Driebander.
1°. Hetz. als driebandenstoot.
In dat lawaai legde Van de Pol aan voor de nastoot. Van acquit lukte het, maar wat liggen bleef, kon met een gewaagde driebander niet meer opgelost worden,   Vrije V. 9 Jan. 1950, 3 e.
2°. Piloot met drie strepen of banden op zijn uniform ter aand. van zijn rang of functie.
De tweede piloot, een driebander (d.w.z. een vlieger die gezagvoerder op Europa is),   TERWINDT, Een Vrouw vloog mee 163 [1951].
Driebandspeler, (bilj.).
Wil men harder spelend bal 2 over de banden B—A— en D naar bal 3 jagen, dan moet bal 1 om het hardere spelen ook meer rechtsch effect ontvangen. De driebandspeler past dit gemengd toe,   DOMMERING en DE GOEDE, Biljartsp. 37 [1950].
Driebeukig.
Driebeukig, drie beuken hebbend,   V. DALE [1976].
— De kerk … is een driebeukige hallenkerk overdekt met kruisgewelven op ribben en in de koorsluiting met straalgewelven,   Oudh. Jaarb. 1926, 49.
De op dergelijke wijze opgerichte schuilplaatsen van de Noordnederlandsche heiden (Hooge-Veengebieden) heeft men beschouwd als een oeroude bouwkern, waaruit eerst later de driebeukige Saksische hallewoning zich heeft ontwikkeld,   TREFOIS, Boerenh. 14 [1941].
Muraalbogen vindt men … bijv. bij een driebeukig basilicaal kerkschip, dat met kruisgewelven is overdekt bij de buitenmuren van het middenschip (waar deze boven de zijschepen uitsteken) en van de zijschepen,   Bouwk. Encyclop. 2, 176 b [1955].
Driecylindergaren.
Drie-cilindergaren is garen, dat volgens de katoen-fijnspinmethode op de selfactor of op de ringspinmachine in nummers wordt gesponnen van 6 Ne1—60 Ne1 en daarboven tot 150 Ne1,   DE SONNAVILLE en DIJKSHOORN, Textielk. 178 [1948].
  TAS, Textielwdb. [1953].
— Ten slotte wordt het derde voorgaren op een fijnspinmachine nogmaals gerekt en krijgt dan gelijktijdig zijn definitieve twist. Het driecilindergaren is nu gereed,   V. PAASSEN en RUYGROK, Textielwaren 27 [1965].
Driecylinderlocomotief.
Bij de 3-cylinderlocomotief heeft: m betrekking op den binnenliggenden cylinder,   Spoorwegtechn. 3, 144 [1937].
Rukkrachten en slingermomenten bij driecylinderlocomotieven,   Spoorwegtechn. 3, 153 [1937].
Driecylinderspinnerij.
Katoen- of drie-cilinderspinnerij (Fijnspinnerij),   DE SONNAVILLE en DIJKSHOORN, Textielk. 163 [1948].
Naar de soorten garens die er gesponnen worden onderscheiden we: a. De driecilinderspinnerij, waarin men sterke, dunne en gelijkmatige garens maakt uit lang- en middenstapelige katoen. Voor het maken van deze garens zijn veel bewerkingen en dus veel machines nodig. b. De tweecilinderspinnerij …. c. De afvalspinnerij,   V. PAASSEN en RUYGROK, Textielwaren 26 [1965].
Driedimensionaal, met of in drie dimensies. In de 1ste litt. aanh. in fig. verband, in de 2de als bijw. gebruikt.
  V. DALE [1950 ].
— Hij kon geen gestalten oproepen; en zijn vertellingen missen het driedimensionale der handeling, waardoor figuren vrij in de ruimte gaan staan en bewegen,   G. BRUNING, Nagel. Werk 12 [1927].
Om … een beter inzicht te krijgen in de circulatie van de lucht tussen de beide poolgebieden en de streken op lagere breedte is het gewenst zich niet tot waarnemingen op aardniveau te beperken, maar drie-dimensionaal te werk te gaan en deze ook uit te strekken tot de hogere lagen van onze atmosfeer,   Natuurk. Voordr. N.R. 13, 83 [1935].
Dat ik in plaats van tweedimensionaal thans driedimensionaal en in kleuren voor U verschijn, ook al is het slechts in zwart-wit verheugt mij, omdat het betekent, dat ik persoonlijk bij de inzet van een zo belangrijke gebeurtenis als de Filmweek Arnhem 1961 aanwezig kan zijn,   O.K.W. Med. 25, 314 a [1961].
Driedoorn, (plantk.) berberis (Berberis vulgaris).
Berberis vulgaris L. …, driedoorn …, zuurbes,   GERTH V. WIJK, Plantnames 169 a [1911].
— Een eigenaardige plant, door de Kolonisten driedoorn genoemd, trok Lichtenstein's aandacht,   GODÉE MOLSB., Reizen in Z.-A. 2, 196 [1916].
Driedoornig.
1°. (Plantk.) Drie doorns hebbend; inz. in ben. van planten.
Doornzadig Hoornblad met gegaffelde, dubbeld-gepaarde bladen, en driedoornige vruchten,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 411 [1815].
Cnicus Casabonae …, driedoornige doorn,   GERTH V. WIJK, Plantnames 340 a [1911].
Gleditschia triacanthus L. …, Christusdoorn …, driedoornige acacia,   GERTH V. WIJK, Plantnames 592 a [1911].
2°. (Dierk.) In de verb. driedoornige stekelbaars.
Gasterosteus Aculeatus …. De driedoornige Stekelbaars. l' Epinard. The Stickleback. Der gemeine Stichling,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 13, 2, 44 [1825].
Bij onze inheemse driedoornige stekelbaars, waarvan de mannetjes, die in de voortplantingstijd aan de buikzijde fel rood gekleurd zijn, een nest bouwen, waarin de door hem gelokte wijfjes hun eieren leggen, speelt de rode kleur een rol als mededeling,   Natuurk. Voordr. N.R. 16, 58 [1938].
Gasterosteus aculeatus L. Driedoornige Stekelbaars … Lichaam weinig gestrekt, zijdelings eenigszins samengedrukt, kop kegelvormig, staart kort, ingenepen …; op den rug komen gewoonlijk 3 stekels voor, waarvan de voorste twee aanzienlijk langer zijn dan de achterste,   REDEKE, Visschen 256 [1941].
Driedubbelovergehaalde, in scheldnamen ter aand. van een hoogen graad.
Ze is pas ziek geweest nota-bene, niet erg, maar ik snap nu best, wat er aan mankeerde. Drie-dubbel-overgehaalde uil, die ik geweest ben,   CISSY V. MARXVELDT, J. ter Heul 1, 127 [1919].
Driehoog.
1°. Als znw. gebruikt bijw. in de verb. op driehoog, op de derde verdieping, op het derde niveau.
In 1611 werden nog meerdere molens bijgebouwd en vele gangen daarvan op drie-hoog gesteld,   VISSER e.a., Holl. Molen 2, 69 [1929].
2°. (Bnw.) Drie lagen of verdiepingen tellend; in drie verdiepingen.
De normale vier- of driehoge woonbebouwing,   Bouwk. Encyclop. 2, 655 a [1955].
Driejaarlijks(ch), (bnw. en, een enkele maal, bijw.) om de drie jaar (plaats vindend, verschijnend e.d.).
  V. DALE [1914 ].
— Laatstbedoelde kreeg een vast, jaarlijksch tractement van 7000 rijksdaalders met twee driejaarlijksche verhoogingen van 1000 rijksdaalders tot een maximum van 10,000 rijksdaalders na tienjarigen dienst en vrije woning,   N.-I. Plakaatb. 12, 95 [1894].
De keurraad van den driejaarlijkschen wedstrijd voor dramatische letterkunde in de Fransche taal,   Volksbelang 5 Febr. 1910.
De betaling geschiedt in driejaarlijkse termijnen,   V. DALE [1976].
Driekaart, (kaartsp.) geheel van drie opeenvolgende kaarten van dezelfde kleur; dikwijls met een van-bep. waarin de hoogste van de drie wordt genoemd.
  V. DALE [1914 ].
— Roem is de extra waarde, welke een zekere serie kaarten … heeft, b.v. … 3 opeenvolgende, kaarten van ééne kleur, b.v. schoppen, 7, 8 en 9 (driekaart of derde van schoppen negen) = 20 punten,   LOWE, Kruisj. 11 [1924].
Toen kreeg Frank drie azen in zijn handen, waar harten aas bij was, zodat niemand een driekaart van hartenaas kon hebben, wat in dit spel de allerhoogste roem was,   DE JONG, F. v. W. 286 [1928].
Driekamerflat.
  V. DALE [1976].
— De flat van de heer B. is een driekamerflat, plus badkamer en keukentje,   FRITS HUËL, Flatgebouw Bethlehem 27 [1956].
Grote luxe 3 kamerflat,   N. Rott. Cour. 23 Dec. 1961, 6.
Driekamp, zekere turnwedstrijd bestaande uit drie onderdeelen.
Driekamp, de wedstrijden gehouden in het kader van de verenigingsgymnastiekdriekampen voor turnsters en turners bestaan uit een voorgeschreven vrije- of gereedschapsoefening, klassikaal toestelturnen met oefeningen naar keuze en 2 klassikaalsprongen naar keuze,   Sportencyclop. 255 a [1951].
Driekanter.
Windkei, Driekanter. — Kei door zandwind bewerkt,   RUTTEN e.a., Geol. Nomencl. 18 [1929].
Driekanter, (miner.) ben. voor op bep. wijze door de wind afgeslepen grindkorrels,   V. DALE [1976].
— Als een bewijs voor de corradeerende werking werden vroeger zonder eenige aarzeling de zoogenaamde driekanters of kantengesteenten beschouwd. Dikwijls bezitten deze steenen boven een grondvlak een driezijdige pyramide, vandaar de naam; soms treedt in plaats daarvan een twee-, vier- of meerzijdige pyramide of een kegelvormig vlak op,   ESCHER, Gedaanteverand. Aarde 119 [1916].
Driekroon, pauselijke kroon bestaande uit drie kronen boven elkaar met daarboven een wereldbol met een kruisje en aan de achterzijde twee afhangende linten; tiara. In de 1ste litt. aanh. meton. gebruikt voor de pauselijke waardigheid.
  NIEUWBARN, Kerk. Handwdb. [1910].
Driekroon, de pauselijke kroon, een wit zijden hoofdtooi met drie gouden kronen, bedekt door een wereldbol met kruis; zij heeft op de schouders afhangende vanen,   V. DALE [1914 ].
— Het vacant-worden van den Pauselijken Stoel kan alleen geschieden, als een regeerende Paus sterft of voor de driekroon bedankt,   STELLWAGEN, Pausk. 1 [1903].
De beteekenis van de tiaar of driekroon is verschillend uitgelegd. Volgens sommigen is zij het symbool der macht, welke de Paus bezit over de drievoudige kerk n.l. de strijdende, lijdende en triomfeerende; — volgens anderen is zij het symbool zijner drievoudige bediening nl. van zijn leer-, priester- en herdersambt; — weer anderen spreken van de vaderlijke, geestelijke en tijdelijke macht des Pausen,   GOULMY, Bestuur R.K. 8 [1913].
Driemastbark.
Bark, Driemastbark. Zeilvaartuig hebbende drie masten, namelijk, de fokkemast, groote mast en bezaanmast. De fokkemast en de groote mast dragen raas en razeilen, terwijl de bezaanmast met marssteng getuigd is en een gaffelzeil (bezaan) en gaftopzeil voert,   GROENEN, Scheepv. Encyclop. 686 [1939].
— Onze voorgangers, de Winterhude en de Killoran, twee driemast-barken van dezelfde reederij, hebben hier weken voor anker gelegen,   LECLERCQ, Wind i.d. Z. 9 [1933].
Staand tuig van een drie- of viermastbark,   Spiegel Scheepv. 80 [1964].
Driemastschoener.
  ODERWALD, Wdb. Scheepsdienst [1931].
Driemastschoener, driemastzeilschip van het schoenertype, waarvan de masten enkel door één steng verlengd zijn,   Maritieme Encyclop. [1970].
— Op 1 Februari dreigde de Nederlandsche driemastschoener ”Ingeborg” benoorden Scheveningen te stranden,   Reddingboot 1735 [1941].
Schoenerbark, driemastschoener, driemast schoenerbrik (Eng.: ”barquentine”),   Spiegel Scheepv. 74 c [1964].
Driemeterplank, springplank die zich drie meter boven de waterspiegel van een zwembad bevindt.
Springplank, moet in overdekte inrichtingen ten minste 5 m van het plafond zijn verwijderd. De een-meterplank moet één de drie-meterplank drie meter boven de waterspiegel liggen,   Sportencyclop. 772 a [1951].
Driepas (zie Dl. XII1, 625), hierbij: Driepasboog, (bouwk.).
Driepasboog. Arc trilobé. Boog versierd met een klaverbladvormig motief,   V. PUYVELDE, Handwdb. Bouwk. in Med. V.A. 1923, 730 [c. 1920].
  V. DALE [1976].
— Tusschen de scheibogen rijzen muurschalken op … en ter hoogte van welker kapiteelen een eenvoudig geprofileerde dorpellijst loopt. De driedeelige vensternissen hierboven zijn in haar benedendeel blind en van driepasboogjes tusschen de stijlen … voorzien,   Ned. Mon. 5, 1, 265 [1930].
Veelpasboog noemt men een boog die uit verschillende delen is samengesteld die tezamen een min of meer decoratief samenstel vormen. In de Gothiek kwam vooral de driepasboog veel voor,   Bouwk. Encyclop. 2, 541 a [1955].
Driepasversiering, (bouwk.).
De grondverdieping bevat een deurnis tusschen twee hooge vensternissen met steenen kruiskozijnen. In de halfronde boogtrommels is eene driepasversiering aangebracht,   Oudh. Jaarb. 1924, 231.
De oostmuur van den zuidbeuk is van een blind venster voorzien, dat sporen vertoont van een driepasversiering langs de binnenzijde van den spitsboog,   Ned. Mon. 5, 1, 265 [1930].
Driephasenaansluiting, (electr.) aansluiting voor driephasige wisselstroom. In de 1ste aanh. wel niet aaneengeschreven, maar wel als eenheid op te vatten.
Het is wel van belang, sluitboomen ook door middel van éénphase wisselstroom te kunnen bedienen op plaatsen waar slechts éénphase wisselstroom, b.v. voor verlichtingsdoeleinden ter beschikking is en het groote kosten met zich zou brengen een driephasen aansluiting of een gelijkstroomschakeling toe te passen,   Spoorwegtechn. 2, 462 [1934].
Voor de warmwaterkranen is deze waarde gemiddeld ca 2 kW. Voor de grotere doorstroomtoestellen is de aansluitwaarde hoger en kan 6 kW of meer bedragen. Een driefazen-aansluiting is dan veelal noodzakelijk,   Bouwk. Encyclop. 1, 388 b [1954].
Driephasengroep, (electr.).
De aansluitwaarde van een electrisch fornuis is meestal te groot om het fornuis zonder meer op een van de groepen van de electrische huisinstallatie te kunnen aansluiten; hiertoe zal veelal een afzonderlijke, in de regel driefazengroep nodig zijn,   Bouwk. Encyclop. 1, 622 a [1954].
Een krachtverdeelkast kan behalve veiligheden ook schakelaars bevatten, maar dit is meestal niet het geval. De krachtgroepen zijn over het algemeen driefazengroepen (voor de aansluiting van draaistroommotoren); de verdeelkast bezit in dat geval 3 veiligheden per groep,   Bouwk. Encyclop. 1, 663 a [1954].
Driephasenwisselstroom, (electr.) electrische stroom bestaande uit drie wisselstroomen die met elkaar gekoppeld zijn, eenzelfde spanning hebben en 120° met elkaar in phase verschillen; draaistroom.
  Wdl. C.T.T. N 5036 (Sterkstr.) blz. 22 [1955].
Driepitter, lamp met drie pitten.
Bij daglicht en in den vollen schijn der drie-, vier- en vijfpitters gedurende de werkzaamheden in het benedenschip, wist ik al aardig den weg aan boord,   Onze Vloot Juli 1936, 86 a.
Driepolig, (electrotechn.).
Driepolig, drie polen hebbend,   V. DALE [1976].
— Maximumschakelaar is een toestel dat dient om de stroom, wanneer de stroomsterkte een zekere waarde overschrijdt, automatisch te onderbreken en dat geschikt is om de stroomkring daarna weer te sluiten …. Maximumschakelaars kunnen enkelpolig, tweepolig en driepolig zijn uitgevoerd,   Bouwk. Encyclop. 2, 143 b [1955].
Driepolige schakelaar, three pole switch,   SCHOENMAKER, Naut.-techn. Wdb. [1963].
Driescharig (I), van een stad: met drie schaarden of scharen, d.i. insnijdingen; waar op drie plaatsen een hap of hoek uit is. Eenmaal aangetroffen.
Den Bos, die haer beroemt een oude Maeghd te wesen En heel onwinbaer scheen …, Bebolwerckt en bewalt, en trotsigh op't Moeras, En moedigh oock om dat de Stadt drie-scharich was; Is evenwel vercracht, en aen den Prins gekomen,   BOR, Gelegenth. v. 's Hertogen-Bosch 394 [1630].
Driescharig (II), van een ploeg, extirpator e.d.: drie scharen hebbend.
Zoodra de erwten boven den grond staan, wordt er met den driescharigen exstirpator tusschen de rijen gewerkt,   ENKLAAR, Handb. Landb. 208 [1854].
Driescharige radploeg,   Boeren-Goudmijn 4, 2, 177 [1858].
Een driescharige ploeg,   V. DALE [1914 ].
Driescharnierspant, (bouwk.).
Driescharnierspant is een spant waarin drie scharnieren voorkomen of drie slappe verbindingen, die als zodanig beschouwd kunnen worden,   Techn. W.P. Encyclop. [1953].
Three-hinged frame; three-pinned frame, (Subject:) wood constructionsdriescharnierspant, Dreigelenkrahmen,   BOERHAVE BEEKMAN, Wood Dict. 3, n° 3226 [1968].
  V. DALE [1976].
— Slingerstijl is een kolom die niet buigvast aan de fundering en aan de rest van de constructie is verbonden. Dergelijke kolommen komen o.a. voor als onderdeel van driescharnierspanten,   Bouwk. Encyclop. 2, 392 a [1955].
Drieschepig, (bouwk.).
Drieschepig, met drie schepen,   V. DALE [1976].
— De meer uitgewerkte zegelafbeelding (”op het zegel van het Oldambt uit 1347”) (geeft) een basilicale kerk in Rijnlandsch-romaanschen trant, de bus een vermoedelijk drieschepige kerk met één zadeldak,   Ned. Mon. 6, 1, 89 [1940].
Het zeer goed geconserveerde drieschepige huis der oudste periode van Ezinge had in het door een dwarswand afgeschoten achterste gedeelte, de eigenlijke woonruimte, twee standers met een centrale haard,   Hout in alle T. 1, 305 [1949].
Driesnijder, (boekb.).
Driesnijder …. Snijmachine die een papierstapel aan drie kanten afsnijdt,   Wdl. C.T.T. N 5046 (Graf. Techn.) blz. 10 [1954].
Driesnijder, snijmachine waarmee tegelijk kop en staart, en direct daarna de voorzijde van het boekblok worden afgesneden,   V. DALE [1976].
— De driesnijder snijdt de boeken, bij eenmaal inzetten, aan drie zijden. De machine heeft een grote productie en snijdt uiterst zuiver. De snippers worden door een afzuiginrichting weggezogen. De boeken worden automatisch uitgestoten op een transportband,   BLANKENSTEIN, Boekbinden in Algraf. Serie 7, 22 [1951].
Driespletig, (plantk.).
Dry spleetige,   DUIKERIUS, Letterk. [1696].
Driespletig, met drie spleten,   V. DALE [1872 ].
— De stengbladen (van de wilde averuit) zijn borstelvormig gevind en glad, de wortelbladen gevind, de slippen driespletig en grijs,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 349 [1815].
De wilgbladerige spiree heeft enkelvoudige langwerpige lancetvormige blaadjens, terwijl de moerassige en afgebrokengevinde een driespletig eindblaadjen draagt,   V. VLOTEN, Aesth. 14 [1865].
Driestel, (R.-K.) geheel van drie priestergewaden; kazuifel en twee dalmatieken.
Een driestel …, de dalmatieken versierd met twee geborduurde banen en een rand aan de mouwen, waarop onder een gothisch baldakijn telkens een heilige staat afgebeeld. De kazuifel is voorzien van een breed geborduurd kruis,   Ned. Mon. 5, 1, 275 [1930].
Pastoor Colla verrijkte verder de kerk met vele nieuwe en kostbare gewaden; hij liet … o.a. het XVIe eeuwsche driestel … restaureeren,   Bijdr. Gesch. Haarlem 50, 213 [1933].
Een driestel met geschonden borduurwerk van ± 1500; het borduurwerk is aangepast op kleeren van jonger datum, waarbij eenige figuren zijn doorgesneden. Kazuifel: Zegenende God de Vader, de Duif en Christus aan het kruis …. Dalmatieken: de eene met een heilige met sleutel en boek …. De andere enz.,   Ned. Mon. 5, 1, 548 [1938].
De missienaaikrans bepaalt zich niet tot de Zoeterwoudse missionarissen, want ook father Omtzigt uit Leiden, die een vaste klant is, kreeg dit jaar zelfs een driestel en koorkap,   Leidse Cour. 14 Aug. 1958, 6 f.
Drietakkig.
Tricuspis …, drytackich,   BRECHTANUS, Etymol. D v v° [1515].
Drietakkig, met drie takken,   V. DALE [1872 ].
— Zoo dikwerf de priester eene der drie kaarsen aan de ééne drietakkige kaars ontsteekt, zingt hij met telkens verhoogde stem: Het licht van Christus!   V.D. PLOEG, Kerkel. J. 156 [1859].
Drietoon.
1°. (Muz.) Interval van drie heele tonen; tritonus. Veroud.
Onder d'Intervallen zyn de 3 en de 6, de 2 en de 7, zo als ook de 9 twederlei: zy worden onderscheiden in groote en kleine, d'and're zyn enkeld of eenvoudig, als 4, 5 en 8, zo als ook de 4+ en 5, die men ook den Drietoon noemt, om dat hun twee uiterste klanken de wydte van 3 heele tonen van elkander leggen,   V. BLANKENBURG, Elem. mus. 168 [1739].
De quarta superflua wordt ook wel anders Tritonus (dat is, drietoon) genaamt, ze is een kleine halve Toon hooger als de reine of volkomene quart,   KELNER-HAVINGHA, Generaal Bass 130 [1751].
2°. (Muz.) Interval ter grootte van twee groote seconden of één groote en één kleine seconde, resp. toon die van een andere toon door dit interval gescheiden is; terts. Veroud.
Dusdanige ruimtens heeten eigentlyk intervallen …. Daar men hier nu t'elkens twee toonen met elkander vergelykt, en ze als halve- geheele- drie- vier- vyftoonen enz. onderscheidt, ten einde den min- of meerderen afstand van twee, door één bewoording beknoptelyk aan te duiden, ze konnen ook muzykaale tweeklanken heeten,   LUSTIG, Muzykk. 97 [1751].
Staat de prime … op de benedenste of eerste streep, wat in de naaste of tweede spaatsie valt heet toon, of secund; wat op de tweede streep komt drie toon of terts,   GRATIAEN, Muz. Onderw. 267 [1792].
3°. (Schild.) Coll. ben. voor de drie hoofdkleuren geel, rood en blauw.
Een in 1619 geschilderde ”Aanbidding der Koningen”, die Velazquez onder invloed van zijn theoriseerenden leermeester … Pacheco, geheel op de drietoon heeft ingesteld,   LUNS, Schild. m. Olieverf 50 [1940].
Drievingerig.
Drievingerig (plant.),   V. DALE [1872].
Drievingerig, drie vingers hebbend,   V. DALE [1976].
— De papegaaiduiker, (Alca.) Geslachts-kenteeken. De bek ongetand, kort …; de pooten bij de meesten drievingerig. (tridactyli),   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 11, 231 [1822].
Zij (zekere plant) heeft drie- of vijfvingerige in hunne eerste ontwikkeling dikwijls zwartpuntige bladeren,   Boek d. Uitv. 2, 1, 165 [1865].
Drievlagsein, (scheepv.) sein dat inz. vanaf schepen met drie vlaggen wordt gegeven.
Three-flag signalSignal à trois pavillonsDrie-vlag sein,   GROENEN, Scheepv. Encyclop. 142 [1939].
Drievlag-seinen. De seinen van 3 vlaggen, beginnende met A B C en eindigende met A Q C geven het Kompas, in graden verdeeld, aan en wel in quadranten,   JONGMAN, Seinb. 15 [1911].
Velen waren echter gekomen om afscheid te nemen en ons een goeden reis toe te wenschen, terwijl van het fort met twee drie-vlagseinen werd geseind: ”Alk … goede reis”!   Waterkamp n° 814, 9 a [1947].
In het seinboek worden de seinen verdeeld in: a. éénletterseinen …; b. tweeletterseinen …; c. drieletterseinen, voorgesteld door een drievlagsein met de M-vlag boven, voor het medische gedeelte, dat bestaat uit deel I, een verzoek om medische hulp, en deel II, het medisch te geven advies,   Maritieme Encyclop. 6, 171 b [1970].
Drievlakig, (bierbr.), van een droogoven: met drie boven elkaar geplaatste z.g. vlaken, d.i. vloeren met kleine openingen waarop het mout in den oven ligt.
Drievlakig. Wordt gezegd van eenen eest met drie bovenelkander geplaatste vlaken. — Fr. A trois plateaux. — Hgd. Dreihordig, dreietagig. — Eng. Three-floored,   QUICKE, Brouwersv. [1926].
Drievlakkig.
  V. DALE [1950 ].
— Die eenvoudige, doch nette drie-vlakindeeling (van een orgelfront) ligt gesloten in een drievlakkig onversierde kas die aan den voorkant openblijft,   V.D. MUEREN, Orgel i.d. Ned. 82 [1931].
Hetzij die kas (t.w. de orgelkas) verschijnt in den spitsen piramidevormigen torensgewijze opbouw zooals te Jutfaas, hetzij in den éénen spits uitloopenden vlakken vorm zooals te Tienen, hetzij 3-vlakkig ingedeeld en bekroond door drie daaraan beantwoordende spitse torentjes, … overal treffen ons diezelfde vormen van den gebruikelijken gotischen bouw,   V.D. MUEREN, Orgel i.d. Ned. 91 [1931].
Drievuldigheidszondag, eerste zondag na Pinksteren, waarop het feest van de H. Drievuldigheid wordt gevierd.
Drievuldigheidszondag. Met Pinksteren wordt het laatste mysterie van het verlossingswerk gevierd; een passende bekroning van geheel de eerste helft van het kerkelijke jaar, nl. van Advent tot de nederdaling van de H. Geest, vormt het feest van de H. Drievuldigheid op de eerste Zondag na Pinksteren,   Encyclop. Kath. [1955].
— In liturgischen zin strekt zich ”de Paaschtijd” van 's Heeren Verrijzenis tot aan den Drievuldigheids-zondag uit,   NIEUWBARN, Liturgie 151 [1915].
Op Drievuldigheidszondag 15 Juni 1930 werden er 600 sacrae species uitgedeeld,   MOSMANS, Redemptoristenkl. Wittem 147 [1936].
Het Octaaf van Pinksteren eindigt na de Mis van Zaterdag vóór Drievuldigheids-Zondag en daarmee is tevens de Paastijd gesloten,   V. GEMERT en V. GROESSEN, Rubr. M. en Br. 464 [1949].
Driewaardig, (scheik.) de valentie 3 hebbend.
  Wdl. C.T.T. N 5012 (Techn. Natuurk.) blz. 32 [1949].
  V. DALE [1976].
— NO biedt (evenals NO2) ook moeilijkheden met betrekking tot den regel, dat stikstof drie- of vijfwaardig is. Ook de moderne opvattingen van de valentie hebben hiervoor geen oplossing gebracht,   HOLLEMAN, Chemie 1, 249 [1942].
Als meerwaardige alcohol wordt overwegend het driewaardige glycerine (glycerol) gebruikt,   Bouwk. Encyclop. 1, 130 a [1954].
Vandaar: driewaardigheid.
  V. DALE [1976].
— Aluminium (vertoont) slechts weinig punten van overeenstemming met de overige elementen der derde groep. Het overheerschende punt is zijn driewaardigheid,   HOLLEMAN, Chemie 1, 511 [1942].
Driewals, (techn.).
  Wdl. C.T.T. N 5024 (Bitumen, rubber, verf, plast. mat.) blz. 10 [1951].
Driewals is een veelvuldig gebruikt walswerktuig, bestaande uit drie tegen elkaar in draaiende walsen die boven elkaar zijn opgesteld. Zij wordt vooral gebruikt voor het maken van platen of stroken van plastische materialen en voor rubberachtige stoffen voor de vulcanisatie,   Techn. W.P. Encyclop. [1953].
Driewals, wals met drie rollen,   V. DALE [1976].
— Te koop gevraagd een extraheerketel; een comprimeermachine en een driewals voor de fabricatie van zalven,   uit een advert. [1941].
Driewegscheide, plaats waar een weg zich in drieën splitst. Sinds lang veroud.
Men (comt) terstont op de dryweechscheede, daer Symeon (een dorpman ter stede waert van Ierusalem commende) ghedwongen wart Iesum Christum zijn cruyce thelpen draghen ten berghe van Caluarien waert,   J. V. GHISTELE, Voyag. 88 [eind 15de e.].
In sinen driewechscheyden, hebben si den sack gegordet,   Bijbel v. Liesveldt, Jes. 15 A [1526].
Driewegstek(k)er.
Driewegstek(k)er, stek(k)er met drie aansluitingsmogelijkheden,   V. DALE [1976].
— Voor de feestdagen prima plastic snoer div. kleuren v.af 15 ct per met., stekkers v.af 17 ct, driewegstekkers v.af 0.35 enz.,   uit een advert. [1951].
Driewegwissel, (spoorw.).
Driewegwissel, deze wordt gevormd door het gedeeltelijk op elkander vallen van twee wissels in eenzelfde spoor,   V. DALE [1914].
Driewegwissel, drieslagwissel,   V. DALE [1976].
— Een driewegwissel kan zijn symmetrisch, verschoven of verschoven meebuigend,   Spoorwegtechn. 1, 325 [1933].
Het verschoven driewegwissel ontstaat, wanneer men in een drieslagwissel de tongbewegingen ten opzichte van elkaar verschuift,   Spoorwegtechn. 1, 325 [1933].
Driewieler, voertuig, inz. fiets op drie wielen; m.n. een derg. fietsje voor kinderen en dan dikwijls in den verkl.
Driewieler, fiets of ander voertuig op drie wielen,   V. DALE [1950 ].
Driewieler, of cyclecar, door motorische kracht aangedreven voertuig op drie wielen, niet zijnde een motorrijwiel met zijspan. Het minimum aantal in- of opzittenden bedraagt twee,   Sportencyclop. 392 a [1951].
— Heden had … een … geheel nieuw schouwspel plaats. Wij bedoelen den wedstrijd op vélocipèdes …. Na eene voorloopige wedstrijd op driewielers, welke … tot genoegen van alle aanwezenden … afliep, werd enz.,   Alg. Handelsbl. 4 Oct. 1869, 2 a.
Ongeregelde modellen, als driewielers, tandemtweewielers, tandemdriewielers … worden in den regel niet voorhanden gehouden, maar moeten op bestelling worden vervaardigd,   Prijscour. Fongers-Rijw. 1911, 37.
Toenemend aantal klachten …, dat kleine kinders niet meer veilig met autoped of driewielertje op straat kunnen spelen: komen ándere kinders, nemen hun speeltuig af, verdwijnen er mee,   Parool 28 April 1948.
Voor een paar mooie postzegels mocht ik … van Dolfie Ebbers, het zoontje van onze apotheker die 's avonds de kranten rondbracht op zijn houten driewielertje zonder ketting met een groot voorwiel en twee kleine achterwieletjes en op dunne ijzeren banden … de kranten van hem rondbrengen,   APIE PRINS, Baan 90 [1958].
Driewielig.
Driewielig, met drie wielen,   V. DALE [1950 ].
— Er is in den laatsten tijd in onderscheidene streken van Nederland een voertuig, de zoogenoemde driewielige kar in gebruik gekomen,   ENKLAAR, Handb. Landb. 167 [1854].
Tot het vervoer der mestspeciën wordt ook gebruik gemaakt van de driewielige karren met breede vellingen,   Boeren-Goudmijn 5, 1, 129 [1859].
De vroeger veel voorkomende twee- en driewielige houten kipkarren, die door een paard worden voortbewogen, zijn nu practisch niet meer in gebruik,   Bouwk. Encyclop. 1, 627 a [1954].
Driezadig, (plantk.).
De Vrugt (van zekere plant) is een driezaadige Besie, onder de Bloem voortkomende,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 4, 299 [1775].
De bessen (van den wegedoorn) zijn drie- of vierzadig,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 101 [1815].
Driezadige haver,   Boeren-Goudmijn 9, 263 [1863].
Vandaar: driezadigheid.
Ehret heeft een fraaije Aftekening van deeze Soort gemaakt, waar uit de driezaadigheid der Vrugten blykt,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 4, 305 [1775].
Driezijdig.
Driezijdig, met drie zijden,   V. DALE [1872 ].
Driezijdig, trigonous, triquetrous,   BACKER, Taxon. Voc. [1949].
— Een lichaam, dat begrensd wordt door vier driehoeken, noemt men een viervlak of driezijdige pyramide,   VERSLUYS, Leerb. Stereom. 33 [1876].
Om uitdrukken van ruiten, bijv. door wind, te voorkomen en om de ruiten vóór het vastzetten op de juiste plaats te houden, worden deze verzekerd door kleine driezijdige stukjes hout,   Bouwk. Encyclop. 1, 590 a [1954].
Een driezijdig prisma,   V. DALE [1976].
Driezitsbank.
Driezitsbank, bank voor drie personen (inz. als salonmeubel),   V. DALE [1976].
— Te koop gevraagd: een driezitsbank,   uit een advert. [1941].
Combinatiemeubelen. Uitgevoerd in Esdoornhout. Uit drie stoelen kan men een driezitsbank samenstellen,   Hout in alle T. 6, 334 [1955].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1914.