Koppelingen:
Vorig artikel: DRINKBAAR Volgend artikel: DRINKELIJK

DRINKEBROER

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: drinkebroer

znw. m. Uit Drinken en Broer.
—  Iemand die gaarne veel alcoholhoudenden drank drinkt, inzonderheid in vroolijk gezelschap.
Deis drijnckebroerkins die slachten der simmen, Zy willent al naer doen wat dat zy zien,   Gentsche Ref. 94.
Dicken Peer is Coronel Hy brenght de drinckebroers elck een snel,   Eerel. Pluckv. 297 b.
Soete drinckebroers, die in mijn' Koren-wercken Haer' herssenen wat meer verswacken dan verstercken (Brouwer),   HUYGENS 2, 8 [1656].
Een Glasemakers knecht te Dantzich … sag onder de Brug een Drinckebroer in benautheyt leggen,   Holl. Merc. 1663, 115 b [1664].
Meestentyds verwekken de Drinkebroers eene gestaltenis in hunne ziel, die geheel vreemd is met hunnen aart; zy is het zuiver uitwerkzel van den wyn,   Philanthrope 4, 303 [1760].
Samenst. Drinkebroerslied (”Door het veld klonk een drinkebroerslied, dat weldra wegstierf”, STIJNS, In de Ton 76).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1914.