Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: EECHENIS Volgend artikel: EEDEN
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

EED

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: eed

znw. m. Mnl. eet, eed, eyd, mnd. eit, êt, ohd., mhd., hd. eid, os., ofri. êth, ags. âđ, eng. oath, on. eiđr, got. aiths. Buiten het Germaansch zijn verwant iersch oeth, eed en waarschijnlijk gr. οτος, lot.
+1.  Plechtige verklaring, volgens een voorgeschreven formulier en onder aanroeping van iets heiligs, na de middeleeuwen bepaaldelijk van God Almachtig. Ook wel in toepassing alleen op het formulier waarmede men eene verklaring bekrachtigt.
Om dat tschamel ghemeente ghedient ende ghesecoureert zoude moghen zijn, ende onsen eedt ghequeten,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1, 194 [1566].
Laet ghy u wijs maken, dat ghy meer verbonden zijt aen eenen bedwongen eedt, diemen u mach hebben vuytgeperst, dan aenden ingebornen vrijen eedt, die ghy my van vuyter naturen ende van rechts wegen schuldich zijt?   in FREDERICQ, Pamfl. 22 [1568].
De heiligste eed Verbind voor eeuwig Glaucias, Om enz.,   FEITAMA, Tooneelp. 182.
Houd uwe eeden te allen tijden,   WILLEMS, Nalat. 109.
Na driedubbele belofte — eeden vroegen wij niet meer,   BERGMANN, Staas 149 [1874].
2.  Plechtige verklaring, waarbij men iemand vervloekt; vloek, vervloeking. In dit gebruik verouderd.
Dan sult gy van mijnen eedt reyn zijn,   Statenb., Gen. 24, 41 [ed. 1688]  (Kantt.: And. vloeck ofte eedt des vloecks).
Want daer was een grooten eedt geschiet aengaende den genen, die niet opquam tot den Heere te Mizpa, seggende: Hy sal sekerlick gedoot worden,   Statenb., Richt. 21, 5 [ed. 1688].
3.  Met verzwakte bet.: nadrukkelijke verklaring.
Door uwe eeden en beloften weggesleept,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 2, 297 [1793].
v. O. was de eerste, die zwoer, dat hij haar liefhad; hoeveel gretiger leende zij het oor aan dien eed dan enz.,   POTGIETER 1, 143 [1844].
Vroegtijdig (had hij) een duren eed gezworen, om het onrecht goed te maken, dat zijn vaderen aan de lijfeigenen hadden gedaan,   QUACK, Stud. 68 [1886].
4.  Lichtvaardige aanroeping van iets heiligs, vloek. In dit gebruik verouderd. Dat … niemant … int hof daer men den boghe hantiert … eenige eeden ende sweere die Godt sijne Ghebenedijde moeder ofte Godts h: h: souden angaen, in JANSSEN en VAN DALE, Z. Vl. Bijdr. 5, 232 b (a°. 1621).
5.  Gezag dat men over een ander verkrijgt, doordat hij zich onder eede verbindt. In de verouderde uitdrukkingen iemand in of onder zijn eed hebben of brengen enz.
Voor den Bos, daer ghij … d'elementen al braght onder uwen eedt,   HOOFT, Ged. 1, 308 [1629].
Wat 'er overschoot … dat bergde sich terstond, Uyt schrick, in sijnen eed,   VONDEL 3, 477 [c. 1639].
Ghy hebt de Kreten en de Plethen in uw' eedt,   VONDEL 9, 290 [1661].
In dienst ende eedt van de stadt van Dordrecht,   JOH. DE WITT, Br. 2, 86 [1658].
6.  Bestuur (eigenlijk beëedigd bestuur) van een gilde of eene andere organisatie. In dit gebruik verouderd,
Connijnck deken ende eedt van den vrijen keyserlijcken gulden van St Sebastiaen der prochie van Selsaete,   in JANSSEN en VAN DALE, Z. Vl. Bijd. 5, 236 b [1661].
7.  Ambt waarin iemand beëedigd is. In dit gebruik verouderd.
Die salmen priveren van allen eeden ende officien,   Cost. v. Brugge 2, 139 [1497].
8.  Door verwisseling met ee in de verbinding van den ouden eed, van den ouden stempel, ouderwetsch. In Z.-Ndl.
In één woord, zy waren Vlaamsche burgers van den ouden eed,   CONSC. 3, 365 b [ed. 1868].
De mens(ch)en van den ouwen eed zijn deurgaans de braafste. 'Nen hoed van den ouwen eed,   CORN.-VERVL.
Afl. Eeden, eedigen (zie die woorden)
eedelijk, onder eede, met een eed, verouderd (”Op syn register van het eedelyck verklaers van de selve Beenhouwers”, Vl. Placcaertb. 5, 561 [1743]; ”Onder eedelijke verpligting”, STUART, Vad. Hist. 1, 160)
eedeloos, eenmaal aangetroffen (”Plettert mijn dit eer en eedeloose hooft”, BREDERO 2, 382 [1618]).
Samenst. — 1) Als tweede lid in Ambtseed, huldigingseed, huwelijkseed, meineed, successie-eed en zuiveringseed (zie die woorden of bij het eerste lid)
getuigeneed, eed van een getuige voor het gerecht.
2) Als eerste lid in
Eedaflegging.
Alle bloot menschelijke eedafleggingen,   BILD., Mac Benac 249.
De godsdienstige plechtigheid van de eedsaflegging,   in N. Rott. Cour. v. 17 Febr. 1916, Ochtendbl. A.
Eedbelofte, eenmaal aangetroffen.
Deze eedtbelofte … En dient gewisselyck niet in den wyn te smooren,   DE DECKER 1, 44 [1656]
Eedboek, boek waarin formules van ambtseeden werden opgeteekend.
Op het authentycq extract uyt het eed-boeck der Stad Amsterdam,   Utr. Placaatb. 3, 1017 a [1667].
Eedbond, eenmaal aangetroffen.
Die aen een door eetbondt zijn ghesaeckt,   Versch. Bruyloftd. 38.
Eedbreker, thans ongebruikelijk.
Jy eetbreker, gy trouschender, gy eerloosen dief,   BREDERO 1, 289 [1613].
Niets betoont grooter lafheid, dan dat men een dief, een eedbreker, een menschenverkooper word om in een aanzienlijken rang te kunnen leeven,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 1, 24 [1793].
Eedbreuk, thans verouderd.
't Verraad, verbaast hem niet; geene eedbreuk doet hem schroomen,   HELMERS, Nag. Ged. 1, 152.
Zult gij geen goede trouw van schendige eedbreuk scheiden?   NOLET DE BR. V. ST., Amb. 84.
Hierbij weder de afl. Eedbreukig (”Een bericht van zyne nieuwe overwinning over de eedbreukigen”, VALENTIJN, O.-I. III, 1, 66 a [1726]; ”Ondankb're leugenaars, eedbreukigen, verraders En moorders noemt gij ons”, STARING 4, 151 [1831]; ”Weg! weg, eedbreukig Johanniet!” HOFDIJK in Nederland 1851, 321).
Eeddwang.
Dat niemand … durft te zeggen, dat hij is voor eedsdwang,   in N. Rott. Cour. v. 11 Febr. 1916, Ochtendbl. A.
Eedgenoot, iemand die aan anderen door een wederkeerigen eed verbonden is.
't Zij dat hy hem aanzag voor een eedgenoot, 't zij uit bloote distraktie,   V. LENNEP, Lev. v. C. v. L. 261
Bepaaldelijk in toepassing op de burgers der Zwitsersche kantons.
Die Zwitsers ofte eedtghenooten,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 2, 226 [1567].
Hierbij weder de afl. Eedgenootschap (”De voorzeide Ridders koomen zoo verre, dat zy, met anderen van hunnen aanhang, een eedtgenootschap oprechten”, HOOFT, N.H. 44 [1642]; ”Weshalven zy … in eedtgenoodtschap getreeden waaren”, 71; ”In 't Eedt-genootschap van Zwitserlandt”, V. BLEYSWIJCK, Beschr. v. Delft 764).
Eedgespan, samenzwering; thans verouderd.
Dit gezelschap verklaarde, voor eedtgespan teeghens Godlyke en menschelyke Majesteit, het inleeveren en toestaan aller smeekschriften,   HOOFT, N.H. 164 [1642]
 (zie ook HOOFT, N.H. 179 [1642]).
De duyvel, de weereld, en het vleesch … door een eet-ghespan verknocht,   DE BRUNE, Bank. 1, 446 [1657].
Een stilzwygend, en uit den aard van hunne gestoordheid voortvloeyend eedgespan,   V. EFFEN, Spect. 4, 41 [1732].
In het eedgespan van Europa's zaamverbonden geweldenaars,   V. D. PALM, Red. 5, 26.
Eedhelper, in historischen stijl.
Als een edele een ander edele versloeg, moest hij zich ontzweren met 11 eedhelpers, dus zelftwaalfde; versloeg hij een vrije, dan moest hij zich ontzweren met 7 eedhelpers of zelfachtste,   J. TELTING in Themis 1867, 61.
In burgerlijke zaken plagten getuigen en oirkonden te bewijzen; in lijfstraffelijke eedhelpers en godsgerigten,   NOORDEWIER, Regtsoudh. 401.
Eedplicht, verbintenis onder eede, verouderd.
Om den Eedtplicht hem af te eysschen,   MARNIX, Byenc. 6, 3  (bl. 237 a).
Eedplichtig, door een eed verplicht, verouderd.
Daertoe zy oic den anderen (elkander) eedeplechtich waren,   in Bijdr. Hist. Gen. 25, 248 [1575].
Omdat se eedtplichtige ende verbonden waeren metten Gedeputeerden tot Bruessel,   DUYCK, Journ. 1, 425 [1594].
Eedschender, verouderd.
Als dervende haer achtbaerheden den h commissaris P. B. schelden voor een vredebreecker, eedtschender en geweldenaer,   Daghreg. Bat. 6, 306 [1644].
Eedsformule.
Door … aan het gebruik van een eedsformule een bijkans afgodische eer te bewijzen,   in Hand. d. St.-Gen. 1915—'16, Tw. K. 1, 19 b.
Eedsformulier.
Het eedsformulier, dat hem zou worden voorgelegd,   FRUIN, Geschr. 7, 278 [1893].
Eedshalve, uithoofde van zijn eed; verouderd.
Sulcx als goede Taarameesters eer ende eedts-halven schuldich zijn … te doen,   Keuren op de Leidsche Lakendrap. 10.
Waarop ik eersen eedshalve niet en heb willen antwoorden,   bij FRUIN, Geschr. 8, 105 [1672].
Eedsquaestie.
Het wetsontwerp tot het treffen van een tijdelijke nadere voorziening in de eedsquaestie,   N. Rott. Cour. v. 11 Febr. 1916, Ochtendbl. A.
Eedstaving, voorzegging van een eed, eedsformule, bekrachtiging door een eed. Verouderd.
Belovende malkanderen, by eedstaving, als getrouwe vrienden in alles, dat billyk en redelyk was, te helpen,   VALENTIJN, O.-I. IV, 1, 217 b [1726].
Eedsteding, hetzelfde als eedstaving.
Depositiën van gethuygenisse, zoutbriefven, tholenbriefven ende allen anderen deuchdelijcke briefven van eedtsteedinghe,   Recht v. Reimerswael 259 [1569].
Eedsvraagstuk.
Het wetsontwerp tot nadere, tijdelijke voorziening in het eedsvragstuk,   N. Rott. Cour. v. 17 Febr. 1916, Ochtendbl. A.
Eedswege, juister van eedswege, eenmaal aangetroffen.
Een verzoekschrift …; 't Welk zy eedsweeghe niet hadden mooghen achterhouden,   HOOFT, N.H. 85 [1642].
Eedverbond, thans ongebruikelijk.
Och, moechten sy spreken al, die se hebben … gheen gheloof gehouden noch eets-verbond,   in FREDERICQ, Pamfl. 394 [1584].
Zijne deelneming aan het eedverbond der gemeenten,   J. V. RIJSWIJCK Jr. 2, 109.
Eedverbreker, thans ongebruikelijk.
Die gunst zal voor altoos van de eedverbreekers wyken,   V. MERKEN, Germ. 165 [1779].
Waar stuivt uwe ingebeelde macht, Waar, eedverbreeker! stuivt die heenen,   D. J. V. LENNEP 126.
Straft de eedverbrekers, velt die snooden,   HELMERS, Nag. Ged. 1, 107.
Eedvergeter, eenmaal aangetroffen.
(Hy) greep … d'eedvergeeters by den hals,   HOOFT, N.H. 570 [1642].
Eedverwanten, personen die door een wederkeerigen eed aan elkander of aan iemand verbonden zijn.
Het bewys uwer trouwe aan eedtverwanten zoo vroom en standtvastigh,   HOOFT, N.H. 635 [1642].
Onder deze zeven eedverwanten wert besloten enz.,   DE BRUYN, Reizen 2, 252 b [1714].
Geen rebél, die zich aan het hoofd zijner eedverwanten plaatst,   V. D. PALM, Red. 1, 6.
Eedweigering.
De honderd eedsweigeringen, die er nu hebben plaats gehad,   in N. Rott. Cour. v. 17 Febr. 1916, Ochtendbl. A.
Eedwet, wet met betrekking tot het afleggen van eeden.
Eedzweering.
De boosheidt Die altars, offerhandt, eedtsweeringe … besmet,   HOOFT, Ged. 2, 381 [1617].
Een zonderlinge en zeldsame wyse van eed-sweering,   VALENTIJN, O.-I. IV, 3, 66 b [1726].
De godsdienstige beginselen, die het fundament van de eedzwering uitmaken,   in Hand. d. St. Gen. 1915—'16, Tw. K. 1209 b.

Aanvulling bij EED

Samenst., samenst. afl. en kopp. Eedbrekig, meineedig. Sinds lang veroud.
Periurus. Meyneedich, eedtbrekich,   SERVILIUS, Dict. Trigl. BB 2 v° b [1552].
Periurus …. Qui a faulsé son serment. Meyneedich, Eedtbrekich, Dye sijnen eedt verualscht heeft,   Dict. Tetragl. 226 d [1562].
Eed-brekigh, meyn-eedigh. Periurus,   KIL. [1599].
Eedbreking. Veroud.
Perfidia. Eedtbrekinghe,   SERVILIUS, Dict. Trigl. S 8 r° b [1552].
Perjurie, eet-breeckinge,   Woorden-Schat 111 [ed. Haarlem, 1650].
  DUIKERIUS, Letterk. 61 a [1696].
— Daer is een boekje uytgekomen dat aen de Harlemse Capittelheeren verweijd haeren eedbreekinge, omdat se tegen haer eed de rechten van haer Capittel laeten vertreden door een Internuntius,   Bijdr. Gesch. Haarlem 5, 230 [1725].
Eedspel (eedspil), ambt, bediening bij de aanvaarding waarvan men een eed aflegt. Reeds mnl. Alleen in gron. bronnen aangetroffen en sinds lang veroud.
Dat alle de ghene, de ynden raedt offt yn enighen eedtspill ghekoren worden, sullen hoeren eedt doen, dat se noch hare kyndere, wyven noch nemandt … enige gasie edere jaeregheldt van ghenen heren … hebben noch untfangen sullen,   in Mnl. W. 2, 577 [1523].
De borgermester in der tijt hefft voer all des eedes van gheen jaergeldt thebben van enigen fursten offt heren, die in enigen eedtspill binnen deser stadt muchten sijn, ernstlyck vermaen ghedaen,   ALTING, Diarium 73 [1557].
Eedspreken, afleggen van een eed. Alleen in den vorm van den zelfst. gebruikten inf.
Op een ander plaets in Livius vintmen deze woorden in het eet-spreeken gebruikelijk geweest te zijn: zoo ick enz.,   WITSEN, Scheepsb. 311 b [1671].
Eedzweeren, hetz. als eedspreken.
Dat Men. (Menno Simons) … de heylsame ware leerlinge van het Eedtsweren ende niet valschelic te sweren, verualscht, ende daermede zijn eygen onderscheyt der tijden om te sweren aengewesen, metten 15. Psalm verwerpt,   NICOLAI in Bibl. Reform. Neerl. 7, 481 [1569].
Zoo heilig wiert den eedt by de oude heidenen gehouden, dat ze zelf de woorden, daer de Goden in het eet-zweeren door aengeroepen wierden, niet als lichtveerdelijk dorsten uitspreken,   WITSEN, Scheepsb. 311 b [1671].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1916.