Koppelingen:
Vorig artikel: EEK I Volgend artikel: EEK III

EEKII

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: eek

znw. vr. Oorspronkelijk hetzelfde woord als EIK.
1.  Schors van eikenhout. Hoofdzakelijk in oostelijke dialecten.
Also bevonden is … dat … verschijden boomen geschelt waren, daer geen bosbijl op te sien ware, doe de eek daer off geschelt was enz.,   Malenboek v. h. Gortelerbosch, in Tijdschr. v. Staath. 12, 334 [1644].
De Bosdagen worden afgeschaft mogende ieder int' bos varen wanneer het hem gelegen komt om eek of hout te halen,   bij PLEYTE e. a., Uddel XXI [1737].
2.  Looizuurhoudend bad, van eikenschors bereid.
Het Afval geeft men, als het niet aanmerklijk zwaar is, maar twee Eeken; daarna hangt men het op enz.,   Handw. 4, 12 [1789].
Kalfsvellen worden met twee, en ook wel met één Eek gaar gelooit, als ze sterk gelaaft zijn. Zommigen geeven één Eek en daarna nog een warm laf,   Handw. 4, 12 [1789].
Afl. Eeken, van de schors ontdoen, t.w. eikenhout (”100 perceelen eiken en elzenhakhout, gedeeltelijk om te eeken”, Uit eene advertentie)
eekerig, als gelooid, gewestelijk (”Van het ontbolsteren van noten worden de handen eekerig”).
Samenst. Eekhok (”Een Eek- of Runhok”, Handw. 4, 76 [1789])
eekkuip (”Men laat ze (de ruggen) in de Kif (d. i. uitgelooide run) … twee, drie of vier dagen staan …, en brengt ze voorts in de eerste Eek- of Runkuip”, Handw. 4, 9 [1789])
eeklaf (zie Dl. VIII, 916)
eekmolen (”Een eekmolen, die door den wind gedreven wordt”, MARTINET, N. Geschenk. v. d. J. 5, 18)
eeksap.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1916.