Koppelingen:
Vorig artikel: EGGE I Volgend artikel: EGGEN
GTB Woordenboeken: MNW

EGGEII

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: egge

EG, NEG, NEGGE —, znw. vr. Mnl. egghe, mnd. egge, ohd. ecka, mhd., hd. ecke, os. eggia, ofri. egge (m.), ags. ecg, eng. edge, on. egg. Zie ook bij NEG.
1.  Schuine kant.
Sijn baert dat is soo langh soo breet, Dat ick daer Eg noch eynd' aen weet,   BAARDT, Nebulo 16 [1634].
+2.  Schuin toeloopend gedeelte van een mes, bijl, houweel en vervolgens: snede.
Alle Gereedschappen (moeten) na reden van haare Dikheid, ook met lange Eggens gesleepen werden,   V. YK, Scheepsb. 34 [1697].
3.  Gedeelte van een muur tusschen een raam of deur en het binnen- of buitenvlak.
Eggen zijn de binnen- of dagzijden der zijposten van vensters en deuren,   ROSE, Orn. 115.
+4.  Kant, inzonderheid zelfkant van een weefsel. In deze laatste bet. is de vorm neg gewoner.
Hoe zoudt een mensch in syn boesem voor (lees: vuur) konnen legghen, Dat het laken ende egghen niet en verbranden,   Rotterd. Sp. 7.
5.  Hoek. In dit gebruik verouderd.
Egh, Hoeck, Coin, Anglet,   MELLEMA.
— Die patroon, naer dat ick hoor seggen, Sal ons eer meer dan min toeleggen, ten alle eggen voldoet hij elc sijn begeer,   bij V. VLOTEN, Kluchtsp. 1, 159.
Afl. Eggerig, eggig (zie die woorden).
Samenst. — Als eerste lid in Eggebekleeding (ROSE, Orn. 114)
eggewerker, in de aanhaling blijkbaar: maker van snijwerktuigen (”Al deze berglieden syn yser- en egge-werkers, van welke stoffe dit land vol … is”, VALENTIJN, O.-I. I, 2, 81 a [1724])
egsteen, hoeksteen, verouderd (”Betaelt … voor XIII voeten egsteensenz., bij STALLAERT (a°. 1564).
— Als tweede lid (in de bet. 3) in Binnenegge, buitenegge en zelfegge (zie voor dit woord het eerste lid).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1916.