Koppelingen:
Vorig artikel: EIKEN I Volgend artikel: EIKENHOUT
GTB Woordenboeken: MNW

EIKENII

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: eiken

bnw. Mnl. eiken, eikijn, mnd. eken, ohd., mhd. eichîn, ofri. eken, ags. âcen, hd. eichen.
+ Van eikenhout.
Alle … Goederen …, uytgesondert alleenlijck Kanthout, Kromhout en Eycke Plancken,   Gr. Placaetb. 4, 449 a [1599].
Dootkisten van eycken of ander zwaer hout gemaect,   bij V. MIERIS, Beschr. v. Leyd. 961 b [1603].
Een ruyme plaats met balcken afgeschoten, Waar in een eycken kot de Leeuwen zijn gesloten,   POIRTERS, Mask. 201 [ed. 1688].
De Wallen … waeren overmatige dick van Aerde met Eycke-balcken doorvlochten,   Holl. Merc. 1654, 113 b [1659].
Het gros … verspilt zyn tyd in de billardkamer, of loopt met een eiken knods, en boeren schoenen agter een hoop lompe ossen,   Denker 3, 189 [1766].
(Hij) bonsde en stampte op d'eiken deur,   V. LENNEP, Poët. 2, 142 [1829].
Eene bruine eiken kast, zonder snijwerk, doch zoo zorgvuldig geboend, dat men er zich in kan spiegelen,   SLEECKX 8, 225 [1863].
Haar meubels …, eeuwenoude eikenstukken,   STIJN STREUVELS, Minneh. 2, 162 [1903].
Koppel.Eikenhout (zie ald.)
eikenkrans (”Een Eikekrans, of Burgerkroon”, bij PARS, Katw. Oudh. 538; ”Nu wordt een eikenkrans den dappersten geboôn”, SPANDAW 3, 45 [1837])
eikenkroon, zoo goed als uitsluitend als naam van eene Luxemburgsche ridderorde (”Hoor, ik ben kommandeur! kijk van den Eikekroon”, DE GÉNESTET 2, 236 [1847-1848]; ”De luxemburgsche orde van de Eikenkroon”, BUYS, Grondw. 1, 268).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1917.