Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: ENTELEN Volgend artikel: ENTEN II
Etymologie: EWN, EWA
GTB Woordenboeken: MNW

ENTENI

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: enten

bedr. zw. ww. Mnl. enten, mnd. enten. Uit fr. enter van volkslat. imputare.
+1.  Eene loot in een spleet aan den top van een ingekorten stam of tak van eene verwante soort of verscheidenheid zoodanig bevestigen, dat zij de noodige voedingstoffen verkrijgen en doorgroeien kan.
2.  Een deel van een dierlijk lichaam zoodanig aan een ander lichaam bevestigen, dat het blijft leven.
In water bewaarde staarten verloren de geschiktheid om geënt te worden veel spoediger,   Alb. d. Nat. 1864, 2, 92 [1864].
3.  Van eene ziektestof, eene cultuur van bacteriën enz. Die op zoodanige wijze in een dierlijk lichaam brengen, dat zij in het bloed wordt opgenomen.
Die rechtbanken en die experten zijn een kanker geënt op een ziek lichaam,   J. V. RIJSWIJCK Jr. 1, 118.
4.  Vervolgens ook van bewerkingen, waardoor planten of de bodem aan den invloed van microorganismen worden blootgesteld.
Daarnaast is nog eene andere belangrijke eigenschap der slib vastgesteld, n. 1. hare entende werking. … De praktijk heeft zonder tegenspraak bewezen, dat met de aanwending van slib … de groei van de vlinderbloemige gewassen wordt bevorderd,   Versl. Landb. 1910, 1, 25.
Het geënte zaad werd vóór den zaai eerst … oppervlakkig gedroogd,   Versl. Rijkslandbouwproefst. 7, 149.
De grond werd geënt door de entvloeistof, na verdunning …, over den grond regelmatig te verspreiden,   Ald.
+5.  Bij vergelijking, vooral van instellingen. Een voedingsbodem voor de genoemde zaak zoeken in iets anders; eene zaak als voortzetting aan eene andere verbinden.
Ons gevoelen wert geint het eene op het ander,   DE BRUNE, Embl. 308 [1624].
Niemand zal beweren … dat er toen een wezenlijk tooneel bestaan heeft, voordat … de nieuwe beschaving op die der eeuwen van Pericles on Augustus geënt werd,   GEEL 158 [1838].
De wetenschap ent de poëzy op de waarheid,   KNEPPELH. 11, 248 [voor 1865].
Het onbepaaldste despotisme werd geënt op de instellingen eener vrije republiek,   V. LIMB. BROUWER, Cesar 4, 296.
Wat kan … verkeerder zijn, dan onze meeningen en vooroordeelen op de oude wereld te enten?   NABER in Gids 1864, 3, 377.
6.  Bij vergelijking. Nauw en hecht verbinden.
Wat wilt ghij, dat die handt, die, met haer sneeuw, verblent, Zich in de vingren van een houten harder ent'?   HOOFT, Ged. 1, 249 [1625].
Het entende gelaet Van die twee handen was het naest van ons vergaren, En 't nauwste van ons paren,   HUYGENS 2, 547 [1633].
Afl. Enting, verenten (zie die woorden)
enteling, verouderd, 1°. geënte loot (”Als intelinckskens versch men u-lien vindt Op des ghelooven boom gheint”, DE HARDUYN, Uitgel. Dichtst. 140); 2°. in de aanhaling: aangenomen kind (”Zyns vaaders ryk … 't welk van eenen entelingh en verzoonden … beheert werdt”, HOOFT, Tac. 213 [c. 1635]), entenier, enter, verouderd (”De Enteniers leggen zo een geheele Boom, met al zyn takken wat verre van een”, N. Ned. Hoven. 201; ”Deze manier (van enten) is meest uit de mode geraakt …, hoewel het te wenschen was, dat ze van de Enteniers nog opgevolgt wierde”, KNOOP, Vruchtb. 4)
enterij, tuin of bedrijf waar men zich met enten bezighoudt, thans ongewoon (”Lande oft erfven, ghebruyckt zijnde tot okereyen oft interijen, hovinghen, wijngaerden, hoppelant” enz., Placc. v. Brab. 2, 25 a [1569]; ”De Heyninge vande nieuwe Enterye ofte queeckerye, tot behoeve vanden selven Bossche ghekocht”, Gr. Placaetb. 1, 1404 [1608]; ”Daer de Graeflijckheyd wel eer Haer entereyen had en boomen plag te queecken”, WESTERBAEN, Ged. 2, 713 [1665]; ”Een boomgaardman die hem met de plantinghe van boomen is generende, sal eerst een interije aanqueken al eer hy de selve op hare orden in een boomgaard sal planten”, HOFFERUS, Ned. Poëm. XIV; ”De Groote ofte Latynsche Schoole. Welcke als een Queeck-hof en Enterie is waer in de jonge Jeugt de Latijnsche en Griecsche talen … werdt ingeplant”, V. BLEYSWIJCK, Beschr. v. Delft 586; ”Op de Boommarkt worden veelerlei jonge boomen, uit de Enteryen in de Veenen, … aangebragt”, WAGEN., Amst. 2, 427 a)
entsel, entwas, gewestelijk (HOEUFFT, Bred. T. 272).
Samenst. — 1) Als tweede lid in Inenten, uitenten (zie die woorden) en afenten, van enten van eene andere soort of verscheidenheid voorzien (”Sommige boomen zijn dan ook reeds, ofschoon ze nog jong waren, met andere variëteiten afgeënt”, Versl. Tuinbouwproefv. 1903—'04, 148).
2°. Als eerste lid in
Entboutvuur, boutvuur dat door inenting ontstaan is.
Met de Fransche entstof, op deze wijze aangewend, (ontstond) meermalen letaal verloopend entboutvuur,   Versl. Rijksseruminr. 1904—'05, 20.
Entgewas, boomen of planten naar den wasdom der enten beschouwd, ongewoon.
Tot het Planten moet men nooit ouder ge-ente Bomen verkiezen als van twee- of drie-jarig Ent-gewas (van kerseboomen),   KNOOP, Vruchtb. 8.
Entmes.
Entmethode.
Op een ander vak worden de verschillende entmethoden beoefend,   Versl. Landb. 1909, 1, 212.
Entplaats. — 1°. Plaats waar het bedrijf van enten wordt uitgeoefend.
De leege en hooge scholen …, vette int-plaetsen, daer de rauwigheyd onzer zielen gekandelaert en gesnoeyt wert, om die edele greffien in te laten,   DE BRUNE, Embl. 246 [1624].
2°. Plaats van eene plant of van een lichaam, waar de enting of inenting plaats heeft.
Het serum wordt … gespoten onder de huid zijdelings van den hals. De entplaats wordt vooraf goed gereinigd en ontsmet,   Versl. Rijksseruminr. 1904—'05, 210.
Entplantsoen, onderhout waarop geënt is.
(Een peer) die wel gegroeit, groot en smakelyk … is, waar toe het Ent-Plantzoen ook veel contribueeren kan,   KNOOP, App. en P. 21.
Entproef.
Entproeven met bacteriëncultuur,   Versl. Rijkslandbouwproefst. 7, 147.
Entrijs, rijs dat geënt wordt.
Want het te diep tot op het merg snoeijen der Ent-ryzen, ook dikwils de oorzaak is dat dezelve niet vatten,   KNOOP, Vruchtb. 8.
Planten, stekken, afleggers, entrijs enz.,   Versl. Landb. 1910, 4, 105.
Entstam.
't Is seer gemakkelyk, zulke Entstammetjes te hebben, door middel van de Pitten,   Kweeksch. v. Liefh. d. Hooven 23.
Bereiding van … entstof tegen het miltvuur,   Versl. Rijksseruminr. 1904—'05, 7.
Entstof.
Serum en entstof tegen den be smettelijken abortus bij runderen,   1911, 24.
Enttijd, tijd geschikt voor het enten.
Enttuin.
Dewyl hy de leedigheid … oordeelt te zyn een Enttuin van alle fouten,   DOEDYNS, Merc. 1, 57 [1697].
Entvloeistof.
De entvloeistof werd volgens het voorschrift bereid. Het bleek echter niet mogelijk door eenvoudig schudden der gelatineuse massa met water eene homogeene vloeistof te verkrijgen,   Versl. Rijkslandbouwproefst. 7, 148.
Entwas, was waarmede bij het enten vocht en licht worden afgesloten.
Als of sy (de bij) oorlof had myn entwas aen te packen,   WESTERBAEN, Ock. 172 [1653].

Aanvulling bij ENTENI

Afl. Enterij, (veroud.) boomkweekerij.
  V. DALE [1872 1914].
— Hoedanig de grond ook zij, men zal altijd wel doen, dat men gene jonge bomen daarin plante, welke in een beteren grond gekweekt, en uit een Enterij afkomstig zijn, waar ze door kragt van mest zijn opgeschoten en getroeteld,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 1, 283 [1805].
Enterijen en Kweekhoven,   KOPS, Mag. v. Landb. 4, 142 [1807].
De menigvuldige enterijen, die langzamerhand aangelegd werden, gaven ontegenzeggelijk den eersten spoorslag,   Nat. Verh. Kon. Maatsch. Wet. 4, 2, II [1809].
Samenst. Entbastaard, plant verkregen door enting van de eene soort op de andere, waarbij een tusschenvorm ontstaat, gevormd door de huid van de eene en de kern van de andere.
  V. DALE [1950 ].
  DE HAAN en DEKKER, Wdb. Geneesk. [1955-'56].
— Wat men vroeger entbastaarden noemde, waren òf periklinaalchimaeren, òf vormen van infectieuse chlorose,   WENT, Leerb. alg. Plantk. 396 [1930].
De periclinale chimaeren, waarvan de ”entbastaarden” de bekendste voorbeelden zijn,   Leerb. Alg. Plantk. 1, 157  (ed. 1949).
Enthoeve, stuk grond waarop boomen en planten geënt worden.
Indien U.E. gestrenge die messen vercoft hadt … aen een man t'Uitrecht, die de schoenste enthoeven binnen Uuytrecht heeft …, et soude ons op et koepen van enten veel geproefiteert hebben,   R.G.P. 108, 574 [1613].
Enthout, hout dat geënt wordt.
Wijlen Jonkheer v. E., die in der tijd enthout heeft afgestaan aan de vroegere firma O.,   BERGHUIS, Ned. Boomgaard 1, 46 [1868].
Het enthout wordt als eenjarige twijg van gezonde vruchtboomen genomen,   WAGENAAR, Voedings- en Genotm. 152 [1947].
Entmes, mes gebruikt bij het enten.
  BACKER, Taxon. Voc. [1949].
  V. DALE [1976].
— De Gereedschappen, die men tot het Enten nodig heeft, zyn een scherp Snoeimes, een groot Entmes met een dikke rug, een scherp Zaagje, een Beitel of Wigge van hart hout of staal, een Hamer, Entwas, en Biesen van een Moscovische Mat of gespouwe Tienden,   Burger-Thuinb. 139 [1769].
Voorwerpen, noodig voor de kweekelingen en uitzet … een snoeimes, eene zak-handzaag en een entmes,   Boeren-Goudmijn 6, 1, 358 [1860].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1917.