Koppelingen:
Vorig artikel: ETGROEDE Volgend artikel: ETHAAN

ETGROEN

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: etgroen

znw. onz. Van Groen met *-et (zie bij ETMAAL). Wellicht eigenlijk eene verbastering van Etgroe(de).
Tweede gewas aan gras dat op een gemaaid hooiland opschiet.
Etgroen, naweyde, achtermade. Du regain, le second fauchage,   PLANT. [1573].
— Hy sal nederdalen als een regen op het nagras,   Statenb., Ps. 72, 6 [ed. 1688] (Statenb., Ps. 72, kantt. 13 [ed. 1688]: Afgemaeyt gras, et-groen).
't Is nou met mijn op sen ghevoegst, 'k Gae in mijn eerste gras. … Ghy gaet in jou et-groen nou, Jou grasjen al of ghemayt,   FRANSSOON, G. Wouters 12 [1623].
Het veld dat schrael in et-groen staet,   JONCTIJS, Liefd. Bar. Kr. 33.
Als het etgroen hergroeit,   BERKHEY, N.H. 9, 112 [1811].
Onze Boeren zeggen: etgroen of nagras,   BERKHEY, N.H. 9, 114 [1811].
Het etgroen was ook goed, maar het hooi daarvan werd door regen- en zeewater … gedeeltelijk bedorven,   Med. en Ber. d. Geld. Maatsch. v. Landb., 1868, 68.
In, met ruime hoeveelheden etgroen voorziene, naweiden,   Versl. Veearts. Staatstoezicht 1913, 93.
Samenst. Etgroenweide (”Acuut longemphyseem kwam hier en daar voor, meestal op de etgroenweiden”, Versl. Veearts. Staatstoezicht 1913, 93).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1917.