Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: EX-VOTO Volgend artikel: EZELACHTIG
Etymologie: EWN, EWN, EWA
GTB Woordenboeken: MNW

EZEL

Woordsoort: znw.(m.,o.)

Modern lemma: ezel

znw. m., gewestelijk ook onz. Mnl. esel, mnd. esel, ohd. esil, mhd., hd. esel, os. esil, ags. esol, got. asilus. Eene oude ontleening aan lat. asinus.
+1.  Naam van enkele soorten van het geslacht der paarden, die zich vooral onderscheiden door een dikkeren kop, langere ooren en een staart die alleen aan de punt lange haren heeft.
Den jongen coninck hadde den generael … doen decapiteren omdat den vertrouder des rijcx met een coegel van zijn esel had gedreijcht te lichten,   Daghreg. Bat. 7, 238 [1645].
De dryvers stock is doof, En tout des esels huyd,   VONDEL 3, 61 [1630].
Hier toe komen dagelyx boeren met ezels in de stadt,   DE BRUYN, Reizen 2, 180 b [1714].
Veele bergdieren … als Harten, wilde Ezels, Bokken, en andere,   2, 196 b.
Een langen ranken Engelschman, die, op een' ezel gezeten … den Drachenfels afdaalde,   GEEL 205 [1835].
De ezel van den barbier balkte alle nachten,   POTGIETER 1, 320 [1839].
Kees van den Molen had 'nen ezel noodig,   J. V. RIJSWIJCK 2, 181.
+2.  In toepassing op personen.
+3.  Als benaming voor verschillende toestellen of voorwerpen dienende om iets te dragen of te steunen.
4.  In de boeventaal. Lessenaar; winkellade.
Loopend ezeltje (beweegbare lessenaar). Staand ezeltje (vaste lessenaar). Hij heeft een ezeltje gepiept (een lade gelicht),   Boeventaal.
5.  In de boeventaal. Foulard, das (Boeventaal).
6.  Zijde van een dobbelsteen, waarop één oog voorkomt. In dit gebruik is ezel waarschijnlijk uit aas ontstaan. Verouderd.
Den eenen (dobbel-)steen ging staen op den anderen, en den bovenste was eenen ezel,   POIRTERS, Mask. 308 [ed. 1688].
Afl. Ezelachtig, ezelen, ezelin (zie die woorden)
ezelarij, domheid, stommiteit, in Z.-Ndl. (”Ick soude wel myn sinnen ghemissen in dusdanige beestachtigheyt, ezelerie en luysigheyt,” Hist. v. Corn. Adr. 1, 126; ”Wij zullen uit den hierboven aangehaalden laster en kletspraat alleen een paar ezelarijen lichten”, Het Volksbelang v. 11 Sept. 1909; ”Dat stuk, hetwelk zeker als een voorbeeld van ezelarij voor het nageslacht dient bewaard te blijven, drukken wij hier over”, a. v. v. 3 Aug. 1912)
ezelheid, ezelachtigheid, verouderd (”Een zoo grove ezelheyd dat sy niet en kan ont-moeten zoo geweldige en wreede straffe, als zy wel verdient heeft”, DE BRUNE, Embl. 73 [1624]; ”Tot een rechtveerdighe wraeck Van u botte Ezel-heyt”, OGIER, Seven Hoofts. 22 [1644])
ezelig, ezelachtig, verouderd (”Ziende met goede ooghen aen dat ezelighe langh-ooren te paerde zitten”, DE BRUNE, Bank. 1, 78 [1657]).
Samenst. afl. en samenst. — 1) Als tweede lid in de bet. 1) in Halfezel, muilezel, rijezel, strandezel, werkezel en woudezel, in de bet. 3) in Beddeezel, boomezel, buisezel, schildersezel, tafelezel en zaagezel (zie die woorden of het eerste lid)
dienezel, schraag voor een dienbak.
2) Als eerste lid in
Ezelaardig, waarvan de eenmaal aangetroffen afl. Ezelaardigheid (”Een onedelaerdigh hart Vol ezelaerdigheit”, POOT 1, 432 [c. 1715]).
Ezeldier, ezel. Ongewoon.
Hy laedt hem op zijn Ezel-dier,   BREDERO 3, 90 [1613].
Zeker ezeldier, waervan dees fabel meldt,   CONINCKX, Fab. 115 [1808]
 (zie ook CONINCKX, Fab. 277 [1808] en V. LENNEP, Poët. 4, 22 [1847] en V. LENNEP, Poët. 4, 112 [1847]; V. LENNEP, Poët. 7, 20 [1830]) .
Ezeldrijver.
Ik bevond dat de meeste luiden in deze plaets ezeldryvers waren,   DE BRUYN, Reizen 2, 338 b [1714].
Ezeldronken, buiten zichzelven, van dronkenschap. Gewestelijk in Z.-Ndl. (Loquela 13, 91 [1893]).
Ezelhengst.
Van eenen Ezelhengst met eene Merrie bekomt men eene soort van dieren, welke men Muildieren heet,   KROEZE RAMAKER, Bekn. Nat. Hist. 1, 69.
Ezelsbank. — 1°. Bank waarop vroeger op scholen slechte leerlingen tot straf geplaatst werden.
Isser ymandt … die de couragie heeft daertegen aen te gaen, die werd, so hij in hooger bediening is, geaffronteert, van het banckje afgestooten ende op het eselsbanckje geset,   in Bijdr. Hist. Gen. 18, 450 [1675].
Maar vermits 'er selden … een School sonder Eselbank … te vinden is,   Iets voor Allen 1736, 37.
”De overige kinderen zullen dus ook niet gaarne op uw byzyn gesteld wezen en derhalve moet gy alleen op gindsche bank gaan zitten, tot dat gij u verbetert.” Deze bank moet gij echter niet den naam van Ezelsbank, maar dien van Bank ter verbetering geven,   Handl. Schooll. t. pl. lande, 3, 105.
2°. In Z.-Ndl., bij vergelijking, van de bank der beschuldigden.
Het ”ezelsbanksken”, gelijk het volk in zijne schilderachtige taal de zitplaats der betichten noemt,   BERGMANN, Staas 172 [1874].
Ezelsbegrafenis, begrafenis gelijk een ezel ten deel valt, t.w. in het geheel geen of buiten de gewijde aarde. Verouderd.
Met eene ezels begraeffenisse sal hy begraven worden: men sal hem sleypen ende daer henen werpen,   Statenb., Jer. 22, 19 [ed. 1688].
Die teraardebestelling van den zelfmoordenaar in ongewijden grond … werd al spoedig met den naam van ezelsbegrafenis, sepultura asinina, bestempeld,   in Oude Tijd 1871, 137.
Ezelsbrug, vertaling van lat. pons asinorum.
1°. In de oude logica: hulpmiddel om den middenterm van een syllogisme te vinden (zie Tijdschr. 37, 65).
Ziet hier alree den Eeselsbrug der reede-konst,   GALLITALO, Rabelais 1, 398.
2°. Eenvoudig hulpmiddeltje om een vraagstuk op te lossen of om iets te onthouden.
Het was al een heele sjouw voor één mensch … om dit (de bijbelvertaling) zo alleen te beredderen; en nog wel toen er niet veel ezelsbruggen, of gezonde oordeelkunde, in de Christenwereld waren,   WOLFF en DEKEN, Blank. 3, 169 [1789].
3°. In Z.-Ndl. benaming voor de stelling van Pythagoras.
4°. Uitvlucht.
En zoo wist ik mij altijd te redden langs de een' of andere ezelsbrug,   GIJSB. HODENP., W. v. Bergen 2, 340.
Ezelsdistel, benaming voor den wegdistel, Onopordon Acanthium L. (HEUKELS [1907]).
Ezelsdoorn, benaming voor den wegdistel, Onopordon Acanthium L. (HEUKELS [1907]).
Ezelsdrek.
Neempt Eselsdreck, 1 half pont,   BATTUS, Handb. d. Chirurg. 65 [1595].
Ezelsgras, benaming voor de kropaar, Dactylis glomerata L. (HEUKELS [1907]).
Ezelshuid.
Paarden- en ezelshuiden werden vroeger weinig, doch tegenwoordig veel gebruikt …; ezelshuiden voor trommelvellen en echt perkament,   EVERWIJN, Handel en Nijverh. 449 [1912].
Ezelskinnebak.
Doe seyde Simson: … met een ezels kinnebacken heb ick duysent man geslagen,   Statenb., Richt. 15, 16 [ed. 1688].
Ezelskomkommer, benaming voor eene soort van springvrucht, Momordica Elaterium L. (HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 11, 300 [1779]).
Wilde ofte Esels-Comcommer is van deselfde hoedanigheden, ghelijck de Zantenelle,   V. BEVERW., Schat d. Onges. 1, 29 a [1642].
Ezelskop. — 1°. Kop van een ezel.
Voorts zal men … u vertonen … Een Hondekop, Een Kattekop, Een Bokkekop, Een Ezelskop,   D. J. V. LENNEP 151.
2°. Iemand met den kop van een ezel; scheld woord voor een dom persoon.
Wel dokter ezelskop! … Uw zotheid zal ik elk doen weeten,   LANGENDIJK 2, 351.
Ik ben ook inderdaed … een ezelskop,   CONINCKX, Fab. 81 [1808].
Kom! gy zijt een ezelskop!   V. LENNEP, Rom. 5, V [1836].
3°. Benaming voor de pos.
Ezelskop is de bijnaam van het postje, wegens zijn onevenredig grooten kop,   KROEZE RAMAKER, Bekn. Nat. Hist. 3, 52.
Ezelskost, benaming voor de esparcette, Onobrychis viciaefolia Scop. (HEUKELS [1907]).
Ezelskruid, benaming voor den kattendoorn, Ononis spinosa L. (HEUKELS [1907]).
Ezelslade, zooveel als op een ezel geladen kan worden. Vroeger, althans plaatselijk, als houtmaat.
1 levery of ezelslade1/2 schemel of 16 stukken houts,   Cost. v. Brussel 1, 432 [1657].
Ezelslading.
Alle de schriften, … die by-na vier grove Ezelslaadingen uitmaakten,   GALLITALO, Rabelais 1, 287.
Ezelsmelk. — 1°. Melk van eene ezelin.
Ezels-melck is dunder, ende weyachtiger,   V. BEVERW., Schat d. Onges. 1, 140 b [1642].
2°. Benaming voor de heksenmelk, Euphorbia Esula L.
Esula, of Esels-melck. Sy wordt voortgeteelt van planten, en geeft Melck uyt de bladeren of tacxkens,   Verm. Landt-lev. 1, 23.
3°. Benaming voor de engbloem, Vincetoxicum officinale Mnch. (HEUKELS [1907]).
Ezelsmuts, muts met ezelsooren.
De schande, die men den kinderen aandoet, wanneer men hen eene ezelsmuts of zoogenoemde zotskap opzet,   Handl. Schooll. ten pl. lande 3, 102.
Ezelsroet, ezelsvet, verouderd.
Muylenroet ende Eselsroet, van elcx 2. on.,   BATTUS, Handb. d. Chirurg. 65 [1595].
Ezelsstront.
De Burger wierd gedoemd om … warme ezel-stront Te kauwen,   OUDAAN, Tooneelp. 127.
Ezelsveulen. — 1°. Onvolwassen ezel.
Ende hy hadde dertigh sonen, rijdende op dertigh ezelveulens,   Statenb., Richt. 10, 4 [ed. 1688].
Dan zal er binnen weinige dagen geen ezelsvolen meer op het veld zijn, of het is goede prijs,   V. LENNEP, Rom. 6, 43 [1836].
2°. Als scheldwoord voor een dom persoon.
Ezelsvijg, dadel. Gewestelijk in Z.-Ndl. (Loquela 11, 58 [1891] en Loquela 15, 2 [1895]).
Ezelsvleesch.
Dewijle hy soo harden en onverdouwelicken kost, te weten esels vleesch hadde bestaen te eten,   CATS 2, 152 a [1635].
Ezelwagen.
Wij hebben … met den ezelwagen gereden en op een hooiberg geklommen,   COUPERUS, E. Vere 2, 61 [1889].

Aanvulling bij EZEL

Afl. Ezelsch, de hoedanigheden van een ezel hebbend; (als) van een ezel. Reeds mnl.
Ick vinde dry soorten van ootmoedicheydt te weten. Een, welcke ghenoemt wort, de Eselsche ootmodicheyt, d'ander de vosse, de derde de Christelijcke oft de ootmoedigheydt der herten,   IOSEPH A S. BARBARA, Gheest. Kaertsp. 110 [1676].
In heel de geschiedenis zijn er nooit zulke ezelsche ezels verschenen,   De West-Vlaming 30 Mei 1931, 1 a.
Samenst.Ezelhoeder.
Asinarius …. Asnier, Celui qui pense & traicte les ânes. Een eseldrijuer, Eselhoeder,   Dict. Tetragl. 27 a [1562].
Ezelhoeder, ezeldrijver,   V. DALE [1872 ].
Ezelshoef.
1°. Hoef van een ezel; oudtijds o.a. in gebranden vorm gebruikt als geneesmiddel.
Dioscorides laat het uitwas, fijngeschaafd, gebruiken met azijn tegen epilepsie en eveneens gebrande ezelshoeven, die ook nog gebruikt worden om klieren tot rijpheid te brengen en om winterhanden of voeten te genezen,   BAKKER, Volksgeneesk. in Waterl. 285 [1928].
2°. Paardenhoef met het voorkomen van dien van een ezel.
Niet zelden zijn de voorbeelden, dat wanneer men eene gemeene boeren merrie met platte, groote hoeven door een edelen hengst met ezelshoeven heeft laten dekken, het veulen daarvan vallende, kleine, harde ezelshoeven enz. heeft,   Boeren-Goudmijn 2, 1, 99 [1856].
3°. Onderdeel van een rapier of een korten degen, bestaande uit een in halven bolvorm gebogen plaat, voorzien van gaten waar de gebruiker zijn vingers doorheen kan steken.
Deze afbeeldingen tonen aan dat het gevest vrijwel niet veranderde en het conservatisme in de vorm van het gevest gaat zelfs zo ver, dat de ezelshoef, welke sedert ca. 1650 niet meer werd gebruikt om er de vinger door te steken, nog tot ca. 1770 van een afmeting blijft, dat men dit wel zou kunnen doen,   Antiek 1, 7, 7 a [1967].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1918.