Koppelingen:
Vorig artikel: FAS Volgend artikel: FASCIA
GTB Woordenboeken: MNW

FASCEEL

Woordsoort: znw.(m.,o.)

Modern lemma: fasceel

znw. m. en onz. Mnl. fasceel. Ontleend aan fr. faiscel, oude vorm van faisceau. Thans alleen in zuidelijke en zuid-oostelijke dialecten.
1.  Bundeltje dik brandhout, dat gewoonlijk bestaat uit drie stokken, met twee wissen samengebonden.
Fasceel. Fascis, fasciculus,   KIL. [1588]
— Zeker ordonnantie … op een zeker langhde, dickte ende wydde in den bandt, alzo wel van mutsaerden als van fasseelen ende blocken,   Vl. Placcaertb. 1, 667 [1515].
De meerste soorte van Fasceel … moet lanck wesen xij. palmen het Fasceel, dick iiij. palmen, rondt ghebonden,   Ord. Land. v. d. Vryen bij DE BO [1628].
2.  Een lang stuk gekloofd hout.
Zich verdedigen met een fasceel. Hij nam een brandend fasceel uit den haard,   DE BO [1873].
3.  Als stoinaam. Dik brandhout.
Tvroos, een man die mocht afgrysen; Turf, fasseel wasser noch rysen,   DE DENE bij DE BO [c. 1560].
Een iepen boom van twee hondert bondels fasseel groot, wiert acht a thien stuyvers verkocht,   P. HEINDERYCX bij DE BO [laatste kw. 17de e.].
4.  Als houtmaat. Ongeveer 30 kubieke decimeter.
Hoeveel fasceel is er in dien boom? Bij 't fasceel verkoopen,   DE BO [1873].
Afl. Fasceelen, fasceelen maken (”Fasceelen. Fasciare, fascia ligare, colligare”, KIL.).
Samenst. — Als eerste lid in Fasceelhout, brandhout dat per fasceel verhandeld wordt; stuk hout uit een fasceel (”Fasceel-hout. Fascis lignorum: & Ligna quernea”, KIL.; ”D'een quam met eenen kluppel … Dander had een geknobbelt fasseelhout in de hant” enz., V. GHISTELE, Virg. Aen. 139 b; ”Fasseel-hout van boven, 't duysent. … Fasseel-hout uyt Brabant, 't duysent. … Schacht-sparren, 't hondert” enz., Gr. Placaetb. 4, 631 a [1518]; ”Een duysendt Facelhout”, 4, 645 a)
fasceelmes, kapmes (”Fasceel-mes. Falx arboraria, siluatica, KIL.; ”Een Tochteneer en mach … de selve opgaende boomen voorder rueren oft daer aen comen noch sleunen, dan den fasseelmesse toebehoort”, Cost. v. Antw. 2, 372 [1582]
fasceelschier (DE BO [1873])
fasceelstok (DE BO [1873]).
— Als tweede lid in samenst. met namen van boomsoorten (”De Notaris … te Arnhem … zal … verkoopen: 20 perceelen zwaar Dennen ferceel, 6 idem beuken ferceel; … 4 perceelen dennen misslag, Arnh. Cour. v. 30 Aug. 1860).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1918.