Koppelingen:
Vorig artikel: FILIP, FILIPPIE Volgend artikel: FILISTIJN

FILIPPIEN

Woordsoort: znw.(v.,gemeensl.)

Modern lemma: filippine

znw. vr. en gemeensl. Ontleend aan fr. philippine uit hd. philippchen, eene verbastering van vielliebchen, dat in dezelfde bet. gebruikt wordt.
+ Amandel met twee pitten, waarvan twee personen er elk een opeten, onder het maken van een of andere afspraak, met de voorwaarde dat degene die het eerst in gebreke blijft den ander een geschenk zal geven. Gewoonlijk betreft deze afspaak eene bepaalde wijze van begroeten of het schrijven op bepaalde data, oorspronkelijk bestond zij in de verplichting den ander het eerst met filippien te begroeten. Vandaar dat filippien ook den persoon aanduidt met wien men zulk een afspraak heeft aangegaan. Ook de afspraak heet filippien.
(Hij) had beweerd, dat hij aan de amandelen vanbuiten zien kon of het philippines waren of niet, en ten bewijze bood hij haar … een dubbelen aan. Zij nam een der tweelingen, en het verbond werd aangegaan tegen de eerste maal dat zij elkander weer zouden ontmoeten,   BEETS, C.O. 255 [1840].
Het is de eerste van de maand, ik moet vandaag aan mijn filippien schrijven. Een filippien verliezen.   poëem WNT
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1919.