Koppelingen:
Vorig artikel: FITS IV Volgend artikel: FITTER
Etymologie: EWN, EWN, EWN

FITTEN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: fitten

VITTEN —, bedr. en onz. zw. ww. Wellicht ontleend aan eng. to fit, doch op grond van het gebruik waarschijnlijk eer te beschouwen als een Nederlandsch woord, verwant met vatten.
+ Meten of iets meten door omvatting.
Afl. Fit, meethaak met eene vaste en eene verschuifbare tong.
Samenst. Fithaak, fit (”De breedte- en diktemaat wordt genomen door een vithaak, dit is een ijzer, waaraan een vaste en een losse haak,” Leidsch Dagbl. v. 1 Apr. 1910)
fitmaat (”Eiken balken … worden verkocht tegen zooveel gld. p. kub. M. vitmaat, d.w.z. elke balk wordt in het midden gemeten en is bijv. 0.50 M. breed en 0.55 M. dik, en de inhoud van zoo'n balk wordt berekend op 0.50 × 0.55 × de lengte”, Leidsch Dagbl. v. 1 Apr. 1910; ”Het is wel te begrijpen dat de werkelijke inhoud van een balk veel minder bedraagt dan bij vitmaat-berekening,” Leidsch Dagbl. v. 1 Apr. 1910).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1919.