Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: FLAPOOR Volgend artikel: FLAPUIT
Etymologie: EWA

FLAPPEN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: flappen

bedr. en onz. zw. ww. Eene onomatopoëtische vorming. In de algemeene taal buiten samenst. niet meer in gebruik.
+A.  Bedr.
+B.  Onz.
Afl. Flapper, flapkan, verouderd (”Het Poffebier uyt tinnen flappers wichtigh, De klare Wijn uyt Roemers heel deurlichtigh,” VISSCHER, Brabb. 115 [c. 1600])
flapperen, klapperen, zwatelen, eenmaal aangetroffen (”Het flaprend loof des populiers Trilt mij een afscheidsgroet,” OVERDORPPOST, Gez. d. Liefde 138)
flappertje, floddertje, dun strookje vooral van papier, niet algemeen.
Samenst. afl. Flap-aan-den-wand, in de Zaanstreek: tafel met neerslaand blad en inslaande pooten, die toegeflapt tegen den wand gezet kan worden (BOEKENOOGEN).
Samenst. — Als eerste lid in Flapbrug, in Friesland: klapbrug, ophaalbrug
flapdeksel (”Dit kannetje …, hoog tien duimen met het flapdeksel,” BERKHEY, Oud Holl. Vriendsch. 107 [1809])
flaphoed, hoed met een breeden slappen rand (”Haar zwartstrooien flaphoedje”, SCHART.-ANT., Sprotje 1, 7 [1905])
flapsneeuw, in de Zaanstreek: sneeuw met groote, natte vlokken (BOEKENOOGEN)
flaptafel, in N.-Holl. en Friesl.: tafel met neerslaand blad en inslaande pooten (BOEKENOOGEN).
— Als tweede lid in Nederflappen, toeflappen en uitflappen (zie die woorden of het eerste lid).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1919.