Koppelingen:
Vorig artikel: FLIEK Volgend artikel: FLIESTER

FLIEREFLUITEN

Woordsoort: ww.(intr.,zw.)

Modern lemma: flierefluiten

onz. zw. ww. Het tweede lid is het ww. Fluiten, het eerste of vlier (van welken struik men vaak fluitjes maakt) of allitereerend gevormd zonder bepaalde beteekenis.
1.  Lichtzinnige vermaken najagen, boemelen, fuiven. Gewestelijk in Z.-Ndl.
Snaken …, Die met onze schoone duiten Daar in Brussel flierefluiten,   J. V. RIJSWIJCK 1, 131.
Op dertig jaren Begint de dwaasheid te bedaren, Gaan de oogen open …, dan eerst worden zij het flierefluiten moe,   2, 30.
2.  Onnoozele praatjes vertellen (SCHUERM. [1865-1870]).
3.  Nietsdoen, lummelen.
Hij had dien … slijpsteen, die daar ongebruikt stond, door een vlierfluitenden bankwerker aan het draaien gezet,   G. SIMONS in Gids 1904, 4, 10.
Afl. Flierefluiter, losbol, nietsnutter (”Mijn huis uit, flierefluiter. — Gauw!” CONSC. 1, 185 b [ed. 1867]; ”Hij had dus het recht niet den flierefluiter rekening te vragen van zijn gaan en komen,” SLEECKX 1, 158 [1861]; ”Lestmaal zeide een flierefluiter Tot Marietje: 'k min u zeer!” DE CORT, Lied. 61 [1868]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1919.