Koppelingen:
Vorig artikel: FLIJPFLAP Volgend artikel: FLIK II

FLIKI

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: flik

znw. vr. Van Flikken.
1.  Klap, slag. Gewestelijk (MOLEMA, GALLÉE).
+2.  Schot dat ketst. In W.-Vlaand. (DE BO [1873]).
3.  Iets dat slecht afgewerkt is. Gewestelijk in Z.-Ndl.
De schoenen die ze tegenwoordig maken, zijn zoo sterk nie' meer as vruger, 't is allemaal loĕchte flik,   CORN.-VERVL.
+4.  Uitgestoken stuk veen, veenzode, veenplag.
Waarmede zoo lang moet worden aangehouden, dat de bagger vast en stevig genoeg is geworden, om met scherpe steekijzers in evenwijdige lijnen te worden doorgestoken en afgedeeld: in de veentermen bekend onder den naam van strepen, riemen, flikken, blokken en stikken,   STEMFOORT, Veengraverij 70.
5.  Merk aan een (te vellen) boom, gevormd door het uithakken van een stuk schors. In oostelijke dialecten
6.  Het mannelijk lid. Verg. bij FLIKKEN de bet. A, 6). Eenmaal aangetroffen.
Ik voeg me by de Juffers, En speel eens met de flik al (d. i. als) waar ik dryvend beest,   ROSSEAU, Aran en Titus 19.
7.  Spel kaarten. Verg. bij FLIKKEN de bet. B, 3). Thans nog in de boeventaal.
Flik. straat woord. Kaartspel,   HALMA.
R. Is 't Gewonnen, of geleend? F. Gewonnen. R. Met de beenen, Of met de flik. F. Noch met de kaart, noch met de steenen,   PELS, Verw. Holl. Franschm. 26  (ed. 1684).
Kees is een jongen die met de flik peest,   Boeventaal.
8.  In de boeventaal: taal. Verg. het gebruik van klappen in den zin van praten en dat van (uit)flappen en van kletsen.
9.  In de boeventaal: krant. Dit gebruik is blijkbaar ontstaan uit dat onder 6) vermeld.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1919.