Koppelingen:
Vorig artikel: GAARDEN Volgend artikel: GAARDER

GAARDENIER

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: gaardenier

— oudtijds en in gewestelijke spraak ook GARDENIER —, znw. m., mv. gaardeniers en gaardenieren; vr. gaardenierster, mv. -sters; verkl. gaardeniertje, mv. -tjes; vr. gaardenierstertje, mv. -tjes. Van Gaard of Gaarde met het achterv. -n-ier. Mnl. gaerdenaer (Kal. v. Prot. 3, 86), hd. gärtner, eng. gardener; verg. fr. jardinier.
Alleen in den hoogeren of dichterlijken stijl en in gewestelijke spraak gebruikelijk. Hovenier, tuinier.
Ik heb mijn groenten van een klein gaardeniertje.   poëem WNT
— Een instrument 't welck de hoveniers ende gardeniers gebruycken,   Statenb., Jes. 2, kantt. 13 [ed. 1688].
Opent gij de deur, zoo komt ge in een portaal, tusschen twee kotten voor des gaardeniers gezellen, en geraakt dan door een andere deur op een open binnenpleintje, waar ge rechts de eigenlijke woning des gaardeniers ziet,   HOFDIJK, Voorgesl. 3, 243.
gelyk syn wynstok groeit,
Zoo dat Gods gaardenier daar neevens dankt verwondert.
  SIX V. CHAND. 47 [1657].
druiven, die, alree' bedekt met purpren gloed,
Aan hunnen gaardenier een' ryken overvloed
Van Bacchus zoete vrucht beloofden meê te deelen.
  FEITAMA, Telem. 97.
Laat de hand van wakkre Gaardenieren
Het kweken! Schenk 't uw daauw om groenende op te tieren!
  BILD. 14, 36 [1824].
Bloeie uw Bruid gelijk een wijnstok, die de muren overdekt,
En de hoop der gaardenieren door de schoonste ranken wekt!
  DA COSTA 2, 335 [1830].
Samenst. Gaardenierswoning.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1872.