Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: GALANT III Volgend artikel: GALANTINE

GALANTERIE

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: galanterie

(klemt. op -rie) — voorheen ook wel GALANTERIJ —, znw. vr., mv. galanterieën, verkl. galanterietje, mv. -tjes (beide alleen in de bet. II). Van fr. galanterie, eene afleiding van galant. Verg. GALANT (1ste art.).
+I.  Abstract, zonder mv.
+II.  Concreet, met mv.
Samenst. (in de bet. II, 4). Galanteriekraam, kraam waar men galanterieën verkoopt; ook als collectieve benaming voor allerlei galanterieën, met minachting gezegd (”Handschoentjes, waaijertjes, en zulk zoet tuigje meer. In somma de heele galanterie-kraam,” FOKKE, De Vrouw 2, 73 [1810])
galanteriekramer, koopman in galanterieën in 't klein (”De zoogenaamde galanteriekraamers of winkeliers in eenige gemelleerde of ongemelleerde goude en silvere werken”, Gr. Placaetb. 8, 1264 a [1751])
galanteriemagazijn
galanteriering (”galanterieringetjes met steenen of met divisen geëmailleert”, Gr. Placaetb. 8, 1265 b [1751])
galanteriewaren, mv. (”De galanteriewaren of modekramerijen uit gegoten ijzer — als: gespen, armbanden, oorhangers, ringen, kandelaars, schrijfgerei, medaillons enz. — worden … in vormaarde gegoten”, KUYPER, Technol. 1, 98; ”De snuisterijen en galanteriewaren van staal worden meerendeels uit gietstaal vervaardigd,” 1, 559. Deze laatste arbeid (het polijsten) is de belangrijkste, dewijl juist een onberispelijke glans aan stalen galanteriewaren de hoogste waarde geeft,” 1, 560)
galanteriewerken, mv. (”werden derhalven … de gemelde meesters en kashouders, omtrent de galanteriewerken die zy zouden moogen willen verkoopen … by deesen ontslaagen van den eed”, Gr. Placaetb. 8, 1266 b [1751])
galanteriewinkel
galanteriewinkelier, galanteriewinkelierster (”De gildens van de goud- en silversmeeden en andere van onse goede ingeseetenen, bekent onder den naam van galanterie-winkeliers in goude en silvere gemelleerde en ongemelleerde werken,” Gr. Placaetb. 8, 1264 a [1751]).

Aanvulling bij GALANTERIE

Samenst. Galanteriewinkel.
  V. DALE [1872 ].
— Als men altyd op de spaarzaamheid zou studeeren …, Dan hadden de meeste konsten en ambachten immers uitgediend. Banketbakkers, Koks … mogten wel opkraamen, En vooräl de Galanteriewinkels, als 'er geen Koopers kwamen,   LANGENDIJK 4, 273 [1760].
Hier (op zeker plein met winkels) ziet men zeer net gewerkte stukken in hout en leder, daar galanterie-winkels, daar gehele Russische en Fransche boekverzamelingen,   W. DE CLERCQ, Reisdagb. 176 [1816].
De Juffrouw van een galanteriewinkel was heel toeschietelijk geweest, deed dadelijk of ze haar al gehuurd had,   SCHART.-ANT., Sprotje 3, 55 [1910].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1872.